Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/3.5
3.5 Geen saneringsinstrument maar verhaalsinstrument
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie anders: R.D. Vriesendorp, Het buitengerechtelijk akkoord en het conceptvoorstel WCO II, Preadvies voor de Vereeniging Handelsrecht, Uitgeverij Paris, 2014, p. 99 die van mening is dat het akkoord “primair het belang van de schuldenaar” dient. Mijns inziens behoort een akkoordsysteem primair de belangen van de inthe money crediteuren te dienen. Zie in dit verband ook W. Snijders, Concursus creditorum en de verdelende rechtvaardigheid in het privaatrecht, in: M.W. Hesselink, C.E. du Perron en A.F. Salomons, Privaatrecht tussen autonomie en solidariteit, Boom Juridische Uitgevers, 2003, p.274 e.v. Op pagina 279 stelt Snijders: “Uitgangspunt moet zijn dat aan een oplossing die in het belang is van de continuïteit van de onderneming ende werkgelegenheid geheel of ten dele in stand houdt, de voorkeur mag worden gegeven boven een andereoplossing die voor de schuldeisers of voor sommigen van hen, voor wat betreft de uit te keren bedragen,voordeliger uitpakt.”
Zie anders o.a. W. Snijders, Concursus creditorum en de verdelende rechtvaardigheid in het privaatrecht, in: M.W. Hesselink, C.E. du Perron en A.F. Salomons, Privaatrecht tussen autonomie en solidariteit, Boom Juridische Uitgevers, 2003, p.274 e.v. Op pagina 279 stelt Snijders: “Uitgangspunt moet zijn dat aan eenoplossing die in het belang is van de continuïteit van de onderneming en de werkgelegenheid geheel of tendele in stand houdt, de voorkeur mag worden gegeven boven een andere oplossing die voor de schuldeisers ofvoor sommigen van hen, voor wat betreft de uit te keren bedragen, voordeliger uitpakt.”
T.H. Jackson, The Logics and Limits of Bankruptcy Law, Cambridge MA: Harvard University Press 1986, p. 211. Zie ook T.H. Jackson, Bankruptcy, non-bankruptcy entitlements, and the creditors’ bargain, Yale Law Journal, 1982, p. 893; D.G. Baird, The Uneasy Case for Corporate Reorganizations, Journal of Legal Studies, Vol. 15, 1986, p. 127: “Bankruptcy proceedings take one of two forms, depending on whether ownershiprights to the assets are sold on the open market to one or more third parties or (…) to the old owners in returnfor the cancellation of their prebankruptcy entitlements. (…) In effect a reorganization is a forced sale.” Zie ook D.G. Baird and R.K. Rasmussen, Control Rights, Priority Rights, and the Conceptual Foundations of Corporate Reorganizations, 87 Va. L. Rev. 921, 2001, p. 921; D.G. Baird, The Uneasy Case for Corporate Reorganizations, Journal of Legal Studies, Vol. 15, 1986, p. 127; D.G. Baird & D.S. Bernstein, Absolute Priority, Valuation Uncertainty, and the Reorganization Bargain, 115 Yale L.J. (2006), p. 1937 en Clark, The Interdisciplinary Study of Legal Evolution, 90 Yale L.J. (1981) 1238.
T.H. Jackson, The Logics and Limits of Bankruptcy Law, Cambridge MA: Harvard University Press 1986, p. 210.
Uit het voorgaande volgt dat een zelfstandig dwangakkoord, in de door mij voorgestane vorm, niets anders is dan een (collectief) verhaalsinstrument van de crediteuren. Het moet niet worden gezien of ingericht als een instrument dat ten dienste staat van de schuldenaar om de financiers op afstand te kunnen houden en de onderneming tegen de wens van de crediteuren voort te kunnen zetten.1 Het dwangakkoord heeft niet als zelfstandig doel om de vennootschap te rehabiliteren, de continuïteit van de onderneming te waarborgen, of werkgelegenheid te behouden,2 al kan en zal het vaak wel dat effect hebben. Een akkoordregeling is mijns inziens primair een verhaalsinstrument dat de belangen van de (meerderheid van de) crediteuren dient. Het heeft louter tot doel de crediteuren een alternatieve wijze van verhaalsuitoefening te bieden en hen in staat te stellen hun vorderingen collectief geldend te maken op de wijze die het beste resultaat oplevert voor de crediteuren als groep. Het verhelpt het hold-out probleem en beschermt daarmee de crediteuren als groep tegen dissidente partijen die een herstructurering dreigen te frustreren die de meerderheid van de crediteuren in haar belang acht.
Indien de crediteuren als groep ermee gediend zijn de onderneming (gecontroleerd) piecemeal buiten faillissement te liquideren, moet het dwangakkoord hen in staat stellen de onderneming gecontroleerd buiten faillissement piecemeal te liquideren (liquidatie-akkoord). Kan de onderneming het best going concern aan een derde tegen betaling in contanten worden verkocht (ook een vorm van liquidatie), dan moet het dwangakkoord hen in staat stellen de onderneming going concern buiten faillissement aan een derde tegen betaling in contanten te verkopen. Zijn de crediteuren er als groep het meest bij gebaat de onderneming niet aan een derde te verkopen maar de onderneming zelf over te nemen (herstructurering), dan moet het dwangakkoord hen in staat stellen die oplossing buiten faillissement te bereiken.
De continuïteit van de onderneming is geen doel op zich maar hooguit een gevolg van het feit dat het instrument de crediteuren in staat stelt de continuïteit van de onderneming te waarborgen daar waar dat in hun belang is.
Er bestaat geen principieel verschil tussen een herstructureringsprocedure en een liquidatieprocedure. Een herstructurering is, zoals hiervoor in paragraaf 2.5 al opgemerkt, niets anders dan een “vereffening” waarbij de onderneming niet wordt verkocht aan een derde maar aan de aanspraakgerechtigde crediteuren zelf. Jackson formuleert het aldus:
“In a prototypical liquidation proceeding, for example, the firm’s assets are sold to third parties for cash or securities. They may be sold piecemeal, in blocks, or as a unit. (…)
The key conceptual difference between a reorganization and a liquidation is that in a reorganization the firm’s assets (or most of them) are sold to the creditors themselves rather than to third parties. The principal distinction is not that the assets are kept together in a reorganization; they can be kept together in a chapter 7 liquidation proceeding as well if they are sold as a unit to a third party buyer. Indeed, the policies of bankruptcy law – to gain the most for the claimants as possible – would demand that such a going-concern sale be made in a chapter 7 proceeding if doing so would bring more for the firm’s assets than would another course. The key distinction between a reorganization and a liquidation is who are the new owners of the assets: third parties or the former claimants.
Reorganization proceedings, then, are basically a method by which the sale of a firm as a going concern may be made to the claimants themselves. This process, like any liquidation procedure, involves two steps: first the assets of the firm are sold; second, the claims against the debtor are paid out of the proceeds of this sale.”3
Ook Jackson en Baird beschouwen een reorganisatieprocedure in essentie als een “collective debt-collection device” (een verhaalsinstrument).4 Zij werken de creditors’ bargain theorie in meer detail uit voor een klassieke liquidatie met een verkoop aan een derde, maar zij maken geen principieel onderscheid tussen een liquidatie- en een reorganisatieprocedure en de analyse en gevolgtrekkingen van de creditors’ bargain theorie zijn voor beide type procedures in hoofdzaak dezelfde.
De conceptuele notie dat een reorganisatieprocedure principieel in niets verschilt van een liquidatieprocedure (behalve dat de onderneming aan de crediteuren zelf wordt verkocht in plaats van aan een derde) is voor een goed begrip van een reorganisatieprocedure van belang. Deze constatering vormt een leidraad bij het beantwoorden van een veelheid aan verschillende vragen, zoals de vraag naar de aard en het doel van een reorganisatieprocedure, de criteria voor de inzetbaarheid ervan, de vraag of deze alleen binnen of ook buiten insolventie is toe te passen, de vraag of instemming van de schuldenaar voor de toepassing van de procedure is vereist, en de vraag naar de gevolgen die eruit voortvloeien en hoe deze te duiden.
De omschrijving van een akkoordprocedure als “saneringsinstrument” is naar mijn mening een ongelukkige. De term “sanering” suggereert dat er ten gunste van de schuldenaar of onderneming schulden worden kwijtgescholden of verlicht. Dit is niet het geval, althans behoort niet het geval te zijn. Een daadwerkelijke schuldkwijtschelding of schuldverlichting doet zich niet voor. Bij een schuldenaar-vennootschap zou dat de aandeelhouder een onverdiend voordeel opleveren. De schuldeisers maken hun rechten in het kader van de procedure volledig in ongesaneerde vorm geldend. De “sanering” is louter het gevolg van het feit dat schuldeisers, na volledige uitputting van hun rechten, deels onvoldaan blijven en geen verder verhaal aantreffen omdat er eenvoudigweg niet meer waarde beschikbaar is.
Bij het faillissement van het rechtspersoon kunnen schuldeisers zich slechts één keer op het integrale vermogen van de schuldenaar verhalen. Daarna houdt de vennootschap op te bestaan of gaat deze in een nieuwe constellatie verder waarbij de oude aanspraken zijn vervangen door nieuwe.
Bij het faillissement van een natuurlijk persoon is dit anders. Een natuurlijk persoon blijft ook na afloop van het faillissement vermogen vergaren en oude schuldeisers kunnen in beginsel hun oude vorderingen daarop blijven verhalen totdat zij volledig zijn voldaan. Een schuldsanering bij een natuurlijk persoon brengt met zich dat schuldeisers zich slechts kunnen verhalen op het vermogen dat in het kader van de procedure bijeen is gebracht en daarna niet meer. Dit is wél aan te merken als een echte “sanering” en levert de schuldenaar ten laste van de schuldeisers een voordeel op. De schuldenaar behoudt zijn aanspraak en de schuldeisers verliezen hun aanspraak op het vermogen dat de schuldenaar na afloop van de procedure verwerft.
De opvatting dat een zelfstandig dwangakkoord niet tot doel zou moeten hebben de continuïteit van de onderneming te waarborgen, maar slechts zou moeten beogen schuldeisers een alternatieve wijze van verhaalsuitoefening te bieden, leidt tot de vaststelling dat het Voorontwerp een ongelukkige naam heeft gekregen: “Wet Continuïteit Ondernemingen.” Dit suggereert immers dat dat het waarborgen van de continuïteit van de onderneming het voornaamste doel van de regeling is. Een neutralere benaming, zoals “Wet tot invoering van een zelfstandig dwangakkoord”, of iets dergelijks, zou de voorkeur verdienen.