Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.2.2.2
III.12.2.2.2 Intrekking op grond van de Wet wapens en munitie
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381336:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Er is ten behoeve van de toegankelijkheid van de WWM bewust gekozen om de intrekkingsbepalingen zoveel als mogelijk te concentreren. Zie Kamerstukken II 1994/95, 24107, nr. 3, p. 3.
Zie ook paragraaf A1.4.3.2 van de Circulaire wapens en munitie 2014.
Een verlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III. Vgl. art. 28 lid 1 WWM.
Stb. 2011, 447, artikel I onderdeel J.
Kamerstukken II 2011/12, 33033, nr. 2, p. 2.
Ik meen dat het zinvol zou zijn een dergelijke intrekkingsgrond op te nemen in de algemene intrekkingsregeling van art. 7 WWM. Een en ander draagt bij aan een verruiming van de reikwijdte van de intrekkingsregeling. Ook het verzwijgen van bepaalde informatie door de aanvrager kan dan immers tot intrekking leiden. Voorts leidt een en ander tot uniformiteit omdat wordt aangesloten bij intrekkingsregelingen in andere (bijzondere) wetten.
De Circulaire spreekt over twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Zie paragraaf B1.1 Circulaire wapens en munitie 2014. Daarbij kan de vraag worden gesteld waarom in de wettekst dan onderscheid wordt gemaakt tussen beide gronden. Verder wordt in art. 7 lid 2 aanhef en onder c WWM niet gesproken over ‘vrees voor misbruik’, maar over ‘misbruik’. Mijns inziens hoeven beide begrippen niet samen te vallen. Vrees voor misbruik kan reeds ontstaan voordat het misbruik daadwerkelijk plaatsvindt. Misbruik in de zin van art. 7 lid 2 onder c WWM houdt naar mijn mening in de situatie waarin misbruik ook feitelijk heeft plaatsgevonden. In de Circulaire wordt een dergelijk onderscheid echter niet gemaakt.
Paragraaf B1.2 Circulaire wapens en munitie 2014. Een en ander blijkt ook uit de rechtspraak. In ABRvS 13 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1020 werd bijvoorbeeld uit het feit dat wapens onjuist waren opgeborgen de conclusie getrokken dat vrees voor misbruik bestond. Ook in die zin: ABRvS 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1990. Zie ook ABRvS 23 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS7247 en ABRvS 30 mei 2007, ECLI:NL: RVS:2007:BA6001. Ook het voorhanden hebben van munitie waartoe iemand niet is gerechtigd is voldoende voor het oordeel dat is voldaan aan het criterium vrees voor misbruik. Zie ABRvS 18 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD2823. Zelfs een conflict met een ex-echtgenote kan leiden tot het oordeel dat sprake is van vrees voor misbruik. Zie ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2244.
ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2274. Zie verder onder meer ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7013.
Het lijkt erop alsof dit ruim wordt opgevat. De Afdeling oordeelde in 2008: ‘Anders dan [appellant] betoogt wordt van een houder van een verlof verwacht dat hij zich stipt houdt aan regelgeving, ook indien deze niet gerelateerd is aan wapenwetgeving.’ Zie ABRvS 31 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8631.
Zie voor enkele voorbeelden ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2274, ABRvS 25 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0808 en ABRvS 29 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1866.
Paragraaf B1.2 Circulaire wapens en munitie 2014. Daar moet overigens wel voldoende bewijs voor zijn. Vgl. ABRvS 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5773. Vereist is dus niet dat de houder van de betreffende toestemming zelf strafbare feiten heeft begaan. Vgl. ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7013.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7405. Appellant had welgeteld 209 maal (!) registratievoorschriften overtreden.
Neergelegd in de artikelen 12 en 13 Regeling wapens en munitie.
Deze intrekkingsgrond lijkt overeen te komen met de grond neergelegd in art. 7 lid 1 aanhef en onder b WWM. Deze bepaling ziet echter op de aanvrager, dus de houder van een erkenning, verlof, etc. Art. 12 aanhef en onder sub b WWM ziet op de beheerder, dat wil zeggen ‘degene die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf, waarin wapens en munitie worden vervaardigd, getransformeerd, uitgewisseld, verhuurd of anderszins ter beschikking gesteld, hersteld, beproefd of verhandeld’ (art. 1 aanhef en onder nr. 5 WWM). Op grond van art. 9 lid 3 tweede volzin WWM geldt: ‘Indien de handelingen worden verricht in de uitoefening van een bedrijf, strekt de werking van de erkenning zich mede uit tot de beheerder.’ Klaarblijkelijk kan de erkenning worden verleend aan iemand anders dan de beheerder, maar dan geldt dat ook de beheerder (niet zijnde de geadresseerde van de erkenning) voldoende betrouwbaar moet zijn (vgl. art. 10 lid 1 aanhef en onder c WWM).
Zoals gezegd bevat de WWM een tweetal intrekkingsbepalingen. Art. 7 lid 2 WWM geeft een zestal facultatief geformuleerde gronden op basis waarvan alle verloven, consenten, erkenningen en ontheffingen kunnen worden gewijzigd of ingetrokken. Art. 12 WWM geeft in aanvulling daarop nog een drietal eveneens facultatief geformuleerde intrekkingsgronden welke slechts gelden voor de erkenning bedoeld in art. 9 WWM.1
Op grond van art. 7 lid 2 WWM kan de op grond van de WWM verleende toestemming in de eerste plaats worden gewijzigd of ingetrokken indien onjuiste gegevens zijn verstrekt welke hebben geleid tot de verlening daarvan (sub a). Ook hier is dus causaal verband vereist tussen het verstrekken van de onjuiste gegevens en de (naar later blijkt) ten onrechte verleende toestemming. Opvallend is dat gelet op de tekst van deze bepaling het verlenen van een toestemming ten gevolge van het verstrekken van onvolledige gegevens niet tot intrekking kan leiden.2 Enkel het verstrekken van onjuiste gegevens bij het doen van een aanvraag kan leiden tot intrekking.
In het wetsvoorstel voor een volledig verbod op stiletto’s, valmessen en vlindermessen en verduidelijking van de Wet wapens en munitie,3 waarin onder meer een informatieverplichting was opgenomen voor de houder van een verlof als bedoeld in art. 28 WWM,4 was bepaald dat dit verlof kon worden ingetrokken ‘[i]ndien de houder van het verlof geen, onvolledige of onjuiste informatie verstrekt […],’.5 Het wetsvoorstel voorzag in de verlening van het verlof voor de duur van vijf jaar, in plaats van één jaar, waarmee werd beoogd de administratieve lasten te verminderen. Om toch controle mogelijk te maken, werd de hiervoor genoemde informatieplicht voor de houder van het verlof opgenomen, met daarbij een intrekkingsbevoegdheid voor de korpschef voor het geval waarin de houder niet aan deze informatieplicht voldeed. Nog voordat het wetsvoorstel in werking was getreden, deed zich het schietincident in Alphen aan den Rijn voor, gevolgd door een onderzoek naar het stelsel van beheersing van legaal wapenbezit. Naar aanleiding daarvan besloot de minister dat een verlening voor de duur van vijf jaar met een informatieplicht niet (meer) wenselijk was. Uitgangspunt van het nieuwe beleid was een actieve opstelling van de houder van het verlof, waarbij hij jaarlijks een nieuwe aanvraag moet indienen, waarbij hij aan moet tonen (nog steeds) geschikt te zijn voor het opnieuw verkrijgen van het verlof.6 De eerder voorgestelde wijziging van art. 28 WWM vond daarom geen doorgang. De intrekkingsgrond, inhoudende dat het verlof kon worden ingetrokken indien de geadresseerde onvolledige of onjuiste informatie had verstrekt, werd ten gevolge daarvan niet in de WWM opgenomen.7
In de tweede plaats kan een toestemming worden ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat de houder van de toestemming het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd (sub b). Ook kan intrekking plaatsvinden ingeval van misbruik van de toestemming dan wel van wapens of munitie (sub c). In de Circulaire wapens en munitie 2014 worden deze gronden nader omschreven. Blijkens deze circulaire worden de gronden b (niet langer toevertrouwen) en c (misbruik) op gelijke wijze ingevuld en samen besproken onder de noemer ‘vrees voor misbruik’.8 Met betrekking tot dit criterium wordt een restrictief beleid gevoerd, gelet op de bijzondere positie waarin een vergunninghouder op grond van de WWM verkeerd.9 Zo overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak in 2006:
‘De in artikel 7, tweede lid, van de Wwm geboden bevoegdheid is een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving en niet een tegen appellant gerichte strafrechtelijke sanctie. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is reeds in geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering voldoende reden gelegen om een verlof in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.’10
Van een vergunninghouder wordt in dat kader verwacht dat hij de relevante regelgeving strikt naleeft en geen overtredingen begaat.11 In de circulaire wordt een aantal criteria gegeven aan de hand waarvan wordt bepaald of sprake is van vrees voor misbruik. Relevant in dat kader zijn veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken (vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging) enerzijds, en anderzijds andere omtrent de aanvrager bekende feiten. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de psychische gesteldheid van de vergunninghouder12 en of hij in criminele kringen verkeert.13
Een toestemming kan voorts worden ingetrokken indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening van de toestemming (sub d). Bij het niet in acht nemen van aan de toestemming verbonden beperkingen of voorschriften bestaat op grond van sub e ook een bevoegdheid tot intrekking.14 Tot slot kan intrekking plaatsvinden wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende redenen bestaan (sub f).
Zoals gezegd bevat art. 12 WWM in aanvulling op art. 7 WWM nog een bijzondere intrekkingsregeling voor de erkenning als bedoeld in art. 9 WWM. In genoemde bepaling is een drietal intrekkingsgronden neergelegd. De erkenning in de eerste plaats worden ingetrokken indien de op grond van artikel 42 WWM vastgestelde regels niet in acht worden genomen (sub a). Het gaat om regels betreffende het bijhouden van een register waarin verkregen en overgedragen wapens worden aangetekend.15 Ook indien er aanwijzingen zijn dat aan de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd bestaat een bevoegdheid tot intrekking (sub b).16 Tot slot kan de erkenning worden ingetrokken indien de houder van de erkenning gedurende ten minste een jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht (sub c). Voor de overige toestemmingen die op grond van de WWM kunnen worden verleend, zijn geen aparte intrekkingsgronden opgenomen. Voor intrekking van deze toestemmingen geldt enkel de algemene intrekkingsregeling als neergelegd in art. 7 WWM.