Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.2.1
1.2.1 Inleiding
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383117:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hier slechts gedeeltelijk weergegeven (Andriessen 2006).
Andriessen 2006.
Couwenbergh & Piersma 2014. Zie ook Van Almelo 2004.
Zie hierover o.a. Mohr 1995, McCahery & Vermeulen 2004, McCahery & Vermeulen 2005, Boschma & Mathey-Bal 2012, Wuisman 2013 en Boschma 2013.
Zie bijvoorbeeld Van Almelo 2004, p. 6, Plaggemars 2011 en Couwenbergh & Piersma 2014.
Zie hierover o.a. Wessels 1995, Mohr 1995, Van Schilfgaarde 2009, Van der Sangen & Zaman 2012, p. 157, Boschma 2013, Wuisman 2014, Stokkermans 2016 en Mathey-Bal 2016a.
Wuisman 2011 en Wuisman 2014. Ook Stokkermans pleit voor een dergelijke rechtsvorm. Stokkermans 2016.
Blanco Fernández & Van Olffen 2007, p. 97.
Ik noem bijvoorbeeld alleen al de slechte leesbaarheid van de regeling door het feit dat de regeling in negentiende-eeuws Nederlands is opgetekend. Daarnaast is de huidige regeling versnipperd en op een groot aantal punten onduidelijk waardoor er vaak en veel aanvullende overeenkomsten nodig zijn om heldere afspraken tussen vennoten te kunnen maken. Zie hierover ook Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solinge 2011.
In 2006 verscheen onderstaand bericht1 in het Financieele Dagblad:
‘De maatschap was van oudsher de rechtsvorm voor beroepsbeoefenaars als advocaten, notarissen, accountants en artsen. Maar de aansprakelijkheden zijn gegroeid en die ontwikkeling zorgt ervoor dat de maatschap volgens velen niet meer voldoet als rechtsvorm voor een groot advocatenkantoor. Het voordeel van de NV boven de maatschap is de beperking van de aansprakelijkheid. In een NV kunnen aandeelhouders bij een schadeclaim niet meer verliezen dan de waarde van hun aandelen. In een maatschap kan echter ook het privévermogen van de maten aangesproken worden.
Het is een van de redenen waarom advocatenkantoor Kennedy Van der Laan per 1 januari verandert van een maatschap in een NV. Alfred Meijboom, lid van het dagelijks bestuur van het kantoor, bestempelt de maatschap als een “ouderwetse wijze” van samenwerking. “De maatschap is toch een beetje een relikwie. Het dateert uit de tijd dat advocaten maar met enkelen bij elkaar zaten.” Momenteel telt de maatschap van Kennedy Van der Laan meer dan twintig maten waardoor de keuze voor een “professionelere” vorm van samenwerking in de vorm van de NV voor de hand ligt, legt Meijboom uit.
De advocaten en notarissen van De Brauw Blackstone Westbroek waren in 1998 de eersten die hun maatschap omzetten in een NV. Advocatenkantoren NautaDutilh en Stibbe volgden enkele jaren later.’2
Sinds 2006 zijn er meerdere, soortgelijke berichten in de media verschenen. Meest recent, op 3 december 2014, stond onderstaand bericht in het Financieele Dagblad (slechts gedeeltelijk weergegeven):
‘“Soms is het noodzakelijk dat iemand met de vuist op tafel slaat en zegt: zo gaan we het doen.” Managing partner Frederieke Leeflang van Boekel de Nerée legt de vinger op de zwakke plek van het traditionele bestuursmodel in de zakelijke dienstverlening: de maatschap. Een maatschap werkt prima in tijden van overvloed, maar kan geblokkeerd raken als het minder gaat met het kantoor.
Immers, een maatschap wordt bestuurd door alle aandeelhouders en die hebben individuele belangen die haaks kunnen staan op de belangen van het collectief. Er ontbreekt bovendien een scheidsrechter als de stemmen in de aandeelhoudersvergadering staken. Een maatschap beschikt niet over een raad van commissarissen. Het is niet het ideale model als er snelle veranderingen moeten worden doorgevoerd.
(…) Maar ook in de accountancy wordt gemorreld aan het klassieke partnermodel. Neem KPMG, het accountantskantoor dat eerder dit jaar door een reeks affaires in een reputatiecrisis belandde. Zowel intern bij KPMG, als extern bij toezichthouder AFM, is begin dit jaar de analyse gemaakt dat er een relatie was tussen het afglijden van het accountantskantoor en een slecht functionerende maatschap.’3
Beide hier aangehaalde artikelen geven precies weer wat de aanleiding vormt voor dit onderzoek. Zowel op het gebied van aansprakelijkheid(sbeperking) als op het gebied van juridische organisatiestructuur, wordt de maatschap als rechtsvorm de laatste jaren in toenemende mate als ontoereikend en niet eigentijds ervaren door beroepsbeoefenaren.
Zoals gezegd, is er in Nederland al langere tijd een tendens te zien van maatschappen die worden omgezet naar andere rechtsvormen.4 Al sinds 1995 wordt er veelvuldig in de literatuur (en media5) gediscussieerd over de vraag of de maatschap nog wel zo’n geschikte rechtsvorm is voor de uitoefening van het beroep en meer in het algemeen over de invulling van het Nederlands palet aan rechtsvormen.6 Zo stelt Wuisman in haar proefschrift, en ook in haar oratie, dat er in Nederland behoefte bestaat aan een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid,7 waar Van Olffen en Blanco Fernández eerder concludeerden dat het huidige palet aan rechtsvormen voldoende is en dat het aanpassen van bestaande wetgeving te prefereren is boven de invoering van een nieuwe rechtsvorm.8
In deze paragraaf zal dieper worden ingegaan op het bestaande probleem, dat in feite dus tweeledig is. Enerzijds omvat het probleem de bij beroepsbeoefenaren bestaande behoefte aan een rechtsvorm op maat, waarbij vooral het kunnen beperken van aansprakelijkheid de aanleiding is om over te stappen naar een andere rechtsvorm. En daarnaast bestaat het probleem uit het feit dat de huidige bestaande, en van oudsher meest geschikte, rechtsvorm voor samenwerkende beroepsbeoefenaren (de maatschap), mede door de intrekking van titel 7.13, nog steeds uit 1838 stamt en daardoor om verschillende, hierna in paragraaf 1.2.2 te bespreken, redenen9 niet goed meer past bij de huidige behoeftes van beroepsbeoefenaren. Het maatpak stamt uit 1838, maar ook hiervoor geldt: tijden veranderen.