De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.3:IV.19.3.3 Bevindingen
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.3
IV.19.3.3 Bevindingen
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374127:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een verschil tussen beide regelingen lijkt de wijze waarop wordt bepaald of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen te zijn. Nadere bestudering leert echter, dat beide stelsels sterk overeen komen. In het Duitse recht, wordt de vraag of sprake is van gerechtvaardigd (schutzwürdig) vertrouwen beantwoord aan de hand van een afweging tussen het vertrouwen van de beschikkinghouder op het in stand blijven van de beschikking en het algemeen belang dat met de intrekking wordt gediend. Deze afweging is een wettelijk voorgeschreven afweging.1 Als het algemeen belang zwaarder weegt, dan is geen sprake van beschermenswaardig vertrouwen en kan de beschikking dus worden ingetrokken. Deze regeling vertoont overeenkomsten met de wijze waarop het vertrouwensbeginsel in het Nederlandse bestuursrecht wordt toegepast. Zo wordt in beide stelsels waarde gehecht aan het feit dat de geadresseerde heeft gedisponeerd. § 48 lid 2 tweede volzin luidt bijvoorbeeld:
‘Das Vertrauen ist in der Regel schutzwürdig, wenn der Begünstigte gewährte Leistungen verbraucht oder eine Vermögensdisposition getroffen hat, die er nicht mehr oder nur unter unzumutbaren Nachteilen rückgängig machen kann.’
In de tweede plaats geldt dat de geadresseerde geen bescherming geniet van het vertrouwensbeginsel wanneer hij bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of op de hoogte was van de onrechtmatigheid van de beschikking dan wel hiervan op de hoogte behoorde te zijn.2 In beide gevallen is zowel in het Nederlandse als het Duits bestuursrecht de gedachte dat de geadresseerde rekening dient te houden met een intrekkingsbesluit. Intrekking mag dan ook geschieden met terugwerkende kracht. Tot slot vindt ook in het Nederlandse bestuursrecht een afweging plaats tussen het vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde en (onder meer) het algemeen belang. In het kader van de zogenaamde contra-indicaties wordt bijvoorbeeld bezien of andere belangen dan het belang van de geadresseerde in het concrete geval zwaarder wegen.3