Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/8.3
8.3 Kwalificatie
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381634:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Bloembergen 1971, p. 8; Bartels 2006, p. 7. Zie ook Struycken 2007, p. 654; Van Acht 1990, p. 132-133; Kortmann 1977, p. 9.
Bartels 2006, voetnoot 20; Bloembergen 1971, p. 13.
Ook in het auteursrecht wordt het verlenen van toestemming gezien als een overeenkomst inhoudend dat men geen beroep zal doen op artikel 21 Aw, zie Groene Serie Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 125.3, G.A.I. Schuijt.
In art. 1356 lid 1 Oud BW, en nog steeds in art. 1108 van het Belgische Burgerlijk Wetboek, spreekt men van ‘toestemming’ van degenen die zich verbinden als vereiste voor het totstandkomen van een overeenkomst. Ook al is het woord ‘toestemming’ niet meer opgenomen in art. 6:217 BW, het onderliggende idee is hetzelfde. De eis van toestemming voor totstandkoming van een overeenkomst drukt het beginsel van wilsovereenstemming uit. Beide partijen moeten kenbaar maken dat zij achter de totstandkoming van de overeenkomst staan.
342. Zowel Bloembergen als Bartels schrijven over de kwalificatie van de toestemming. Beide auteurs verdedigen in eerste instantie dat de toestemming een eenzijdige rechtshandeling is,1 maar nuanceren dat standpunt uiteindelijk.2 Ik meen dat het verlenen van toestemming een eenzijdige rechtshandeling is. Degene tot wie de verklaring is gericht, hoeft de toestemming niet te aanvaarden. De rechtsgevolgen treden in door (de ontvangst van) de enkele wilsverklaring van degene die toestemming geeft. De toestemmingsverklaring is een gerichte eenzijdige rechtshandeling, nu zij werking verkrijgt op het moment dat de wilsverklaring de geadresseerde bereikt.3
In een concreet geval bestaat echter een dunne scheidslijn met het contract. In sommige feitelijke constellaties is het gekunsteld om de toestemming te zien als een zelfstandige, eenzijdige rechtshandeling.4 Als een schuldenaar, bijvoorbeeld, indachtig art. 6:29 BW vraagt of hij de verschuldigde prestatie in gedeelten mag voldoen en de schuldeiser stemt daarmee in, dan vloeit de toestemming voort uit het bereiken van overeenstemming tussen partijen. Dit is te meer het geval als de toestemming verleend wordt na onderhandelingen waarin bijvoorbeeld de schuldenaar een (extra) tegenprestatie toezegt aan de schuldeiser. De toestemming kan worden gezien als een aanvaarding, waarbij het verzoek van de schuldenaar/toestemming behoevende partij kan worden gezien als het aanbod en de toestemming door de schuldeiser als de aanvaarding daarvan. Ook is denkbaar dat de toestemming verlenende partij aanbiedt de toestemming te verlenen in ruil voor een bepaalde tegenprestatie, waar de toestemming behoevende partij al dan niet mee akkoord kan gaan. In dat geval doet de toestemming verlenende partij het aanbod en wordt de toestemming daadwerkelijk verleend als de wederpartij aanvaardt. Aanbod en aanvaarding hebben, zoals besproken in hoofdstuk 5, zelfstandige betekenis als eenzijdige rechtshandelingen. Zij gaan echter op in een overeenkomst.5
Het alternatief is, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de overeenkomst tot het verlenen van toestemming, en de verlening van toestemming zelf. De aanvaarding van het aanbod, dat de overeenkomst tot toestemming tot stand brengt, valt samen met de wilsverklaring waarbij eenzijdig toestemming wordt verleend. Dit is mijns inziens een onnodig complexe constructie.
343. Toestemming kan dus zowel eenzijdig als contractueel worden verleend. Ook wanneer toestemming eenzijdig verleend wordt, is de rechtshandeling mijns inziens te beschouwen als quasi-contractueel. Toestemming wordt verleend aan een wederpartij. Om rechtsgevolg te krijgen, moet de wilsverklaring tot deze wederpartij gericht zijn en hem bereikt hebben. In veel van de in nr. 341 genoemde voorbeelden, wordt toestemming verleend tussen partijen die reeds in een rechtsverhouding tot elkaar staan. Het verlenen van toestemming is een zelfstandige rechtshandeling, maar zij wordt verleend met het oog op het kunnen of mogen verrichten van een opvolgende (rechts)handeling. Degene die toestemming heeft verkregen, handelt vervolgens in navolging van en in vertrouwen op de toestemming. Wat mijns inziens eveneens bijdraagt aan de kwalificatie van de toestemmingsverklaring als quasi-contractuele rechtshandeling, is dat in de praktijk in veel gevallen op enigerlei wijze compensatie geboden zal worden of een wederprestatie verricht zal worden in ruil voor de toestemming, ook als de tegenprestatie niet uitdrukkelijk aan de te verlenen toestemming is verbonden.