Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.3.3
I.3.3.3 Invloed van ‘onbelastbare handelingen’
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495300:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bv. A.J. van Doesum & H.W.M. van Kesteren, ‘Aftrek van voorbelasting ter zake van handelingen buiten het kader van de onderneming’, WFR 2011/1465.
HR 1 april 1987, BNB 1987/189 (concl. A-G Van Soest; IJ-verenII; m.nt. L.F. Ploeger); HR 17 februari 1988, BNB 1988/147 (concl. A-G Van Soest; Brits toerismebureau; m.nt. J. Reugebrink); HR 14 juni 1989, BNB 1989/245 (St. Musische Vorming); HR 16 juli 1993, BNB 1993/256 (Cultureel-filosofische bibliotheek); HR 25 januari 1995, BNB 1995/216 (Radio I); HR 30 augustus 1996, BNB 1996/391 (Radio II; m.nt. M.E. van Hilten); HR 15 december 1999, BNB 2000/128 (Zeehondencrèche; m.nt. A.L.C. Simons); HR 26 januari 2000, BNB 2000/129 (Watersportverbond; m.nt. A.L.C. Simons); HR 24 juni 2001, BNB 2001/350 (Landgoed; m.nt. H.W.M. van Kesteren); HR 11 mei 2012, BNB 2012/287 (Onderzoeksinstituut; m.nt. H.W.M. van Kesteren); HR 18 maart 2016, BNB 2016/154 (Gemeente Barneveld; m.nt. J.J.P. Swinkels). Zie uitgebreider hierover Beelen 2010, p. 236 e.v.
HR 15 december 1999, BNB 2000/128 (Zeehondencrèche; m.nt. A.L.C. Simons); HR 26 januari 2000, BNB 2000/129 (Watersportverbond; m.nt. A.L.C. Simons).
Een tot de verbeelding sprekend voorbeeld van een dergelijke situatie zijn de IJ-veren. Hoewel het Amsterdamse gemeentelijke vervoerbedrijf (GVB) passagiers gratis over het IJ vaart, is de exploitatie van de IJ-veren zo ingebed in de organisatie van het GVB, waarbinnen hoofdzakelijk tegen vergoeding wordt gepresteerd, dat de exploitatie van de IJ-veren niet op zichzelf staand kan worden beoordeeld. Zie HR 1 april 1987, BNB 1987/189, r.o. 3.4. (concl. A-G Van Soest; IJ-veren II; m.nt. L.F. Ploeger). Zie verder HR 17 februari 1988, BNB 1988/147 (concl. A-G Van Soest; Brits toerismebureau; m.nt. J. Reugebrink); HR 24 juni 2001, BNB 2001/350 (Landgoed; m.nt. H.W.M. van Kesteren).
HR 15 december 1999, BNB 2000/128 (Zeehondencrèche; m.nt. A.L.C. Simons); HR 11 mei 2012, BNB 2012/287 (Onderzoeksinstituut; m.nt. H.W.M. van Kesteren).
HR 11 mei 2012, BNB 2012/287 (Onderzoeksinstituut; m.nt. H.W.M. van Kesteren).
HvJ 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118 (concl. A-G Saggio; Midland Bank; m.nt. M.E. van Hilten).
Sommigen spreken zelfs over de ‘Midland-doctrine’. Deze benaming is door (destijds) A-G Overgaauw geïntroduceerd in zijn conclusie bij HR 2 december 2011, BNB 2012/29 (concl. A-G Overgaauw; concl. A-G Van Hilten; m.nt. Bijl). Zie ook Beelen 2010, p. 119-123. Beelen vat de Midland-doctrine samen als het beginsel van doorberekende kosten: ‘aangenomen kan worden dat goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen wanneer de voor het verwerven van die goederen en diensten gedane uitgaven onderdeel zijn van de kosten van de verrichte belaste handelingen waarbij van die goederen en diensten gebruik wordt gemaakt; normaliter zal dat betekenen dat de uitgaven zijn ontstaan voordat de belaste handelingen worden verricht’.
HvJ 22 oktober 2015, zaak C-126/14, BNB 2016/135 (concl. A-G Kokott; Sveda; m.nt. J.J.P. Swinkels); HR 18 maart 2016, V-N 2016/17.21 (Gemeente Barneveld).
A.J. van Doesum, aantekening bij: HR 11 mei 2012, FED 2012/92 (Onderzoeksinstituut; m.aant. A.J. van Doesum); J. Sanders, ‘Aftrek bij gesubsidieerde prestaties “om niet”’, BtwBrief 2016, 1.
Zie ook A.J. van Doesum, Ondanks een onlosmakelijke samenhang (oratie Maastricht), Deventer: Kluwer 2013, p. 15-16.
Zie bv. HvJ 18 juli 2013, zaak C-26/12, V-N 2013/48.17, r.o. 21-22 (PPG Holdings).
Discussie over het bestaan van aftrek van voorbelasting blijkt in de praktijk vooral mogelijk als een ondernemer goederen en diensten gebruikt voor prestaties om niet of, meer in het algemeen, voor ‘onbelastbare handelingen’. Onbelastbare handeling is een in de literatuur wel gebruikte, maar weinig precieze aanduiding voor van alles wat geen belaste of vrijgestelde prestatie van een als zodanig handelende ondernemer is.1 Zij kan zoal verwijzen naar leveringen van goederen of diensten om niet, het uitvoering geven aan verbintenissen die geen levering van een goed of een dienst zijn, handelingen die bij fictie geen goederenlevering of dienst zijn en naar werkzaamheden als het houden van aandelen.
Strikt taalkundig bezien is weinig af te dingen op de stelling dat een ondernemer goederen en diensten niet voor belaste handelingen gebruikt als hij ze voor onbelastbare handelingen bezigt. Het Hof van Justitie beoordeelt echter niet of sprake is van gebruik voor onbelastbare handelingen, maar veeleer of een voldoende verband met belast(bar)e handelingen aanwezig is. Zonder vrijgestelde prestaties bestaat, zoals hiervoor besproken, in beginsel recht op aftrek van voorbelasting als goederen en diensten in het kader van een economische activiteit zijn ingekocht (zie par. 3.3.2). Inkoop in het kader van een economische activiteit ligt in de rede als de ‘onbelastbare handeling’ waarvoor goederen of diensten in de meest strikte zin worden gebruikt voldoende verband houdt met het streven naar opbrengst uit prestaties onder bezwarende titel.
Eén en ander ligt ook besloten in de jurisprudentie van de Hoge Raad over prestaties om niet.2 In bedoelde jurisprudentie heeft de Hoge Raad beslist dat geen beperking van het recht op aftrek van voorbelasting aan de orde is als kosten zijn gemaakt voor prestaties om niet die in het kader van een onderneming worden verricht. Handelen in het kader van de onderneming is volgens de Hoge Raad aan de orde als prestaties om niet en prestaties tegen vergoeding één geheel vormen dat een economische activiteit is. Een dergelijk geheel kan de resultante zijn van de onderlinge of wederzijdse afhankelijkheid van de prestaties om niet en de prestaties onder bezwarende titel.3 De eenheid kan ook volgen uit de omstandigheid dat alles binnen hetzelfde organisatorische verband plaatsvindt.4 Wanneer de prestaties om niet echter geheel of bijna geheel op zichzelf staan, en niet omwille van enig economisch belang worden verricht, vormen zij een zelfstandige activiteit die niet van economische aard is.5 Aanwijzingen voor een dergelijke zelfstandigheid kunnen zijn dat de prestaties om niet (bijna) geheel worden gesubsidieerd of dat de prestaties tegen vergoeding bijkomstig zijn aan presteren om niet. Omdat de prestaties om niet dan geen economisch karakter hebben, komt de voorbelasting op de voor die prestaties gemaakte kosten niet voor aftrek in aanmerking.
De Hoge Raad acht zijn benadering een nadere uitwerking van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hoewel die jurisprudentie grotendeels van latere datum is. Dit blijkt uit het arrest in BNB 2012/287 (cursivering WJB):6
‘3.4. Vaststaat dat belanghebbende meer dan incidenteel prestaties [contractonderzoek – WJB] tegen een overeengekomen vergoeding verricht. Mitsdien is zij ondernemer inde zin van artikel 7 van de Wet. Een ondernemer heeft ingevolge artikel 15, lid 1 van de Wet recht op aftrek van aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting voor zover hij de afgenomen goederen of diensten bezigt in het kader van de onderneming. Van bezigen in het kader van de onderneming is niet zonder meer sprake indien aangeschafte goederen of afgenomen diensten geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor andere handelingen van de ondernemer dan de prestaties die hij tegen vergoeding verricht. Daarvoor is nodig dat die andere handelingen en de tegen vergoeding verrichte prestatiesonderling zodanig van elkaar afhankelijk zijn dat zij als één geheel moeten wordenbeschouwd (zie onder meer HR 26 januari 2000, (…) BNB 2000/129). Dan is sprake vaneen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de afgenomen goederen of diensten ende belaste handelingen als bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie ondermeer HvJ 8 juni 2000, Midland Bank, C-98/98, BNB 2001/118), en worden deze gebruikt voorbelaste handelingen in de zin van artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn.’
De Hoge Raad legt in deze rechtsoverweging een verband tussen zijn eigen jurisprudentie en het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Midland Bank.7 Het arrest in de zaak Midland Bank wordt wel gezien als het standaardarrest van het Hof van Justitie over algemene kosten (zie daarover nader par. 3.3.6).8 Door dit verband te leggen, geeft de Hoge Raad mijns inziens aan dat hij zijn – onder de oude tekst van artikel 15Wet OB 1968 gewezen – jurisprudentie als richtlijnconform beschouwt. Hetzelfde kan worden afgeleid uit het arrest Gemeente Barneveld, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Sveda.9
Desondanks wordt betoogd dat de jurisprudentie van de Hoge Raad niet richtlijnconform is, omdat de Hoge Raad een andere norm zou toepassen dan het Hof van Justitie.10 Het Hof van Justitie toetst bij de beoordeling van het recht op aftrek doorgaans namelijk de aanwezigheid van een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen ingekochte prestaties en bepaalde uitgaande prestaties of de economische activiteit als geheel.11 Een dergelijke samenhang zou tot uitdrukking komen in de omstandigheid dat gemaakte kosten worden opgenomen in de prijzen voor de goederen die de ondernemer levert en de diensten die hij verricht.12 Hoewel de Hoge Raad deze norm van het Hof van Justitie niet expliciet noemt, valt te betwijfelen of daardoor andere uitkomsten ontstaan en er werkelijk een discrepantie bestaat. Daarbij is denkbaar dat de Hoge Raad met het oog op de rechtszekerheid prefereert vast te houden aan zijn eigen terminologie. Anders zou de indruk kunnen ontstaan dat hij afwijkt van zijn eerdere jurisprudentie en een koerswijziging inzet. Door de verwijzingen naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie, wordt mijns inziens in elk geval duidelijk gemaakt dat een richtlijnconforme beoordeling is beoogd.