Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/368:368 Aanwijzing van de pandhouder als begunstigde
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/368
368 Aanwijzing van de pandhouder als begunstigde
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD102907:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 7:966 e.v. BW.
Vgl. Stein 2006 (Vermogensrecht), art. 3:246, aant. 23.7. Hierover ook Asbreuk-van Os 1992.
Zie art. 7:984 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een in de praktijk veel voorkomend geval is het recht van een verzekeringnemer om de begunstigde van een vordering op een verzekeraar uit hoofde van een overeenkomst van levensverzekering aan te wijzen.1 De vordering van de begunstigde op de verzekeraar is niet belast met de pandrechten op de vorderingen van de verzekeringnemer op de verzekeraar. Om die reden wenst de pandhouder in de praktijk als (eerste) begunstigde te worden aangewezen. Teneinde de pandhouder in staat te stellen zich op de uitkering aan de begunstigde te verhalen, pleegt men in de praktijk de pandhouder door de verzekeringnemer als (eerste) begunstigde aan te laten wijzen en/of aan de pandhouder een onherroepelijke volmacht tot aanwijzing van een begunstigde te verlenen, zodat de pandhouder zichzelf als begunstigde kan aanwijzen.2
Is de begunstiging door de pandgever nog niet onherroepelijk, dan kan de pandhouder de pandgever als begunstigde aanwijzen.3 De vordering van de begunstigde is dan belast met een pandrecht, indien de vorderingen van de verzekeringnemer op de verzekeraar zijn verpand.
In de praktijk lijkt de geschetste werkwijze te voldoen. Er is dan ook geen aanleiding om aan de pandhouder een eigen bevoegdheid tot het aanwijzen van een begunstigde toe te kennen.