Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/115
115 Geen fiduciaverbod
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD18558:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een gedetailleerde vergelijking Van Daal en Winter 2001. Zie voor een samenvattend overzicht De Boer 2001.
Zie Van Daal en Winter 2001, p. 59.
Vgl. Memorie van Toelichting, Stukken Zitting 1996/97, nr. 3, p. 19, Van Daal en Winter 2001, p. 59-60, De Boer 2001, p. 291 en Loth 2003, p. 11-13.
Vgl. Memorie van Toelichting, Stukken Zitting 1996/97, nr. 3, p. 19.
Zie Kunneman 1999.
Zie Kunneman 1999, p. 354-355 en Janssen 2005.
Gepubliceerde jurisprudentie hierover heb ik niet kunnen vinden. Bij enkele geraadpleegde juristen die goed ingevoerd zijn in het burgerlijk recht van de Nederlandse Antillen en Aruba was ten tijde van mijn onderzoek ook geen ongepubliceerde jurisprudentie bekend.
Op 1 januari 2001, respectievelijk 1 januari 2002 is op de Nederlandse Antillen, respectievelijk Aruba nieuw vermogensrecht van kracht geworden door invoering van de Boeken 3, 5 en 6 en enige titels van Boek 7 van het Arubaans en Nederlands-Antilliaans Burgerlijk Wetboek (hierna aangeduid als: ‘BWNA’. De verschillen tussen de Boeken 3, 5 en 6 van het BWNA en het BW zijn minimaal.1 Eén opvallend en fundamenteel, wellicht hét meest fundamentele, verschil tussen het BWNA en het BW is dat in het BWNA het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW niet is opgenomen.2
Hoewel het BWNA ook een regeling van het stil pandrecht bevat, heeft de wetgever er voor gekozen de fiduciaire eigendomsoverdracht niet in de ban te doen. Eén overweging die de wetgever tot die keuze heeft geleid, is dat er geen aanleiding was om de eigendomsoverdracht tot zekerheid in de ban te doen nu deze figuur naar oud Nederlands-Antilliaans en Arubaans recht bevredigend werkte. Een andere overweging was dat de wetgever, mede gelet op het internationale handelsverkeer, geen onzekerheid wilde laten bestaan over de geldigheid van bepaalde figuren waarbij goederen in het kader van een financiering in eigendom worden overgedragen.3
De wetgever heeft er van afgezien de fiduciaire eigendomsoverdracht wettelijk te regelen en zo de (verdere) ontwikkeling en de inpassing in het BWNA aan de praktijk en de rechtspraak overgelaten.4 In de literatuur is vóór de invoering van het BWNA enerzijds voorspeld dat men van de fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid ook na de invoering van het BWNA gebruik zou blijven worden maken, ondanks dat het BWNA een regeling van het stil pandrecht kent.5 Anderzijds is gewaarschuwd voor problemen bij de inpassing van de zekerheidsoverdracht in het BWNA. Die problemen zouden kunnen ontstaan doordat het BWNA in een aantal opzichten, ook afgezien van de daarin opgenomen regeling van het stil pandrecht, afwijkt van het oude recht. Ook is erop gewezen dat onduidelijk is in hoeverre bepalingen die van toepassing zijn op het stil pandrecht analoog van toepassing zijn op de zekerheidseigendom.6
Jurisprudentie waaruit kan worden afgeleid hoe de zekerheidseigendom in het BWNA is ingepast of over problemen die daaromtrent zijn ontstaan is mij niet bekend.7 Daaruit mag niet worden afgeleid dat die problemen niet bestaan of zouden kunnen ontstaan, alleen al omdat het BWNA pas kortgeleden is ingevoerd. In hoofdstuk 14 worden enkele vragen besproken die omtrent de inpassing van de fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid in het huidige recht zouden kunnen rijzen.