Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10
10
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:BSD46368:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Deze verbintenis ontstaat niet als partieel wordt ontbonden, alleen met betrekking tot de toekomst. Zie art. 6:270 BW en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/602.
Nieuwenhuis 1979, p. 82 e.v.; Storme 1993, p. 117, 124; H.L. Drucker, ‘Rechtshandeling en rechtsorde’, Rechtsgeleerd Magazijn 1882, nr. 1, p. 49.
Of de wil van de handelende persoon gericht was op het tot stand brengen van het rechtsgevolg maakt in bepaalde situaties uit. In het arrest Koot Beheer/Tideman (HR 19 april 2013, JOR 2013/224 m.nt. Boekraad) over het ontstaan van boedelschulden, beslist de Hoge Raad dat boedelschulden alleen die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel, hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin moet worden verstaan dat de curator de schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht, onder verwijzing naar art. 3:33 en 3:35 BW. Niet alle schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de curator zijn dus boedelschulden. De aan de orde zijnde schuld, de verbintenis tot vergoeding van opleveringsschade na opzegging van de huur van een bedrijfspand, is dus geen boedelschuld, maar een concurrente faillissementsvordering moet worden ingediend.
Art. 3:33 BW vereist voor het bestaan van een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Rechtsgevolg kan worden gedefinieerd als het gevolg dat de rechtsorde verbindt aan een feit of handeling. Degene die de rechtshandeling verricht, heeft het oogmerk dit gevolg tot stand te brengen. Het kenmerk van een rechtshandeling is daarmee dat zij vrijwillige gebondenheid tot gevolg heeft. Bij (on)rechtmatige daden verbindt de rechtsorde rechtsgevolg aan een handeling onvrijwillig, dus zonder dat de wil van de handelende persoon gericht was op het creëren van dat rechtsgevolg. Deze indeling gaat echter te simplistisch uit van de wil als allesbepalende factor in het ontstaan van rechtsgevolg. Ook aan rechtshandelingen kan de wet rechtsgevolgen vastknopen die de handelende niet in het leven wilde roepen. Het primaat van de wil bij het tot stand brengen van een rechtshandeling wordt in de eerste plaats genuanceerd door art. 3:35 BW. Als wil en verklaring uiteenlopen, is er in beginsel geen gebondenheid, maar tegen degene die de verklaring van een ander op een bepaalde manier heeft opgevat en in de gegeven omstandigheden ook zo mocht opvatten, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil. De wil van de handelende persoon wordt, met andere woorden, geobjectiveerd.
Een rechtshandeling heeft vaak meer dan één rechtsgevolg. De wil van de handelende kan wel gericht zijn geweest op het verrichten van de rechtshandeling, maar niet noodzakelijkerwijs op het in het leven roepen van àlle rechtsgevolgen van die rechtshandeling. Bij ontbinding van een overeenkomst zal de wil van de ontbindende partij doorgaans zijn gericht op het tenietgaan van de verbintenis tot het uitvoeren van de resterende prestaties uit de overeenkomst, maar niet op het ontstaan van een ongedaanmakingsverbintenis op grond waarvan hij hetgeen hij heeft ontvangen van zijn wederpartij moet retourneren.1 Toch verbindt de wet ook dit niet-beoogde gevolg aan de verrichte rechtshandeling. Die rechtsgevolgen ontstaan niet omdat de handelende dat wilde, maar omdat hij door het uitoefenen van zijn privaatrechtelijke autonomie een situatie tot stand heeft gebracht waaraan bepaalde rechtsgevolgen verbonden zijn.2 De handelende accepteert de gevolgen van de rechtshandeling die hij verricht, omdat objectief bekend is welke gevolgen het recht aan zijn wilsverklaring verbindt.3