Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.6.4
7.3.6.4 De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379237:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Van Mourik 2007, p. 416-417; zie ook, genuanceerder, Mollema 2008, p. 827, in ‘De werking van de redelijkheid en billijkheid bij testamenten’, JBN 2009/1 en in ‘De werking van de redelijkheid en billijkheid bij uiterste wilsbeschikkingen – een vervolg’, WPNR 6918 (2012), p. 141-147. Ook in lagere rechtspraak is deze oplossing gebruikt, zie Rb. Haarlem 19 maart 2008, NJF 2008/374 en Rb. Roermond 9 november 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BU3506.
Van Mourik 2007, p. 416.
Ook Den Hollander en Van Putten pleiten voor het terughoudend gebruik van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid bij uiterste wilsbeschikkingen, zie ‘Coetzee en de herinterpretatie van testamentaire vernietigingsinstructies in het algemeen belang’, WPNR 7017 (2014), par. 4. Zie ook Hof Den Haag 24 juni 2014, NJF 2014/382, waarin toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bij uiterste wilsbeschikkingen in strijd werd geacht met de rechtszekerheid.
315. Een rechter mag de rechtsgevolgen van de uiterste wilsbeschikking wijzigen, bijvoorbeeld door aan een beschikking geen werking toe te kennen als uitvoering van de uiterste wilsbeschikking een resultaat zou hebben dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Van Mourik is hier een voorstander van,1 wat samenhangt met zijn categorische afwijzing van aanvulling en zijn strikte opvatting over uitleg. De redelijkheid en billijkheid vormen dan het vangnet om aan een uiterste wilsbeschikking alsnog de rechtsgevolgen te onthouden. Ik zie een grotere rol voor aanvulling en uitleg en ben het ook niet eens met Van Mouriks stelling dat redelijkheid en billijkheid bij de uitlegging van uiterste wilsbeschikking geen rol speelt.2 Voor mij is er dus minder noodzaak om toevlucht te nemen tot de redelijkheid en billijkheid.3
Het voorgaande is anders als de rechtsgevolgen van een uiterste wilsbeschikking moeten worden gemitigeerd als de omstandigheden zijn gewijzigd na overlijden van de erflater. Dan biedt uitleg geen soelaas, omdat het overlijden het peilmoment is om te bepalen welke betekenis mag worden gegeven aan de uiterste wilsbeschikking. Dan kan eventueel een rol zijn weggelegd voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.