Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/6.5.2
6.5.2 De voorwaardelijke 403-verklaring
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376771:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Ramanna 2008, p. 19; Beckman 1995, p. 541. Het is raadzaam om in de verklaring het voorbehoud op te nemen dat de aansprakelijkheidsverklaring ook eerder dan de aangegeven datum ingetrokken kan worden.
Bartman & Dorresteijn 2013, p. 253.
Ramanna 2008, p. 19.
Hof Amsterdam 1 februari 2007, JOR 2007/144.
Beckman 1995, p. 545; (hoewel kritisch) M.C.R. van Zoest, ‘De automatisch vervallende 403-verklaring’, O&F 2011/19, p. 97. De vraag kan gesteld worden of de 403-verklaring ook gecombineerd kan worden met een mededeling van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid in de zin van art. 2:404 lid 3 BW, onder de opschortende voorwaarde van het verbreken van de groepsband. Snijder-Kuipers en Eliëns achten dit mogelijk (B. Snijder-Kuipers en M.F. Eliëns, ‘Praktische vragen bij beëindiging van overblijvende aansprakelijkheid’, WPNR 7042 (2014)). Mij lijkt dit echter vanuit oogpunt van crediteurenbescherming onwenselijk. De termijn van twee maanden waarbinnen crediteuren verzet kunnen aantekenen, gaat lopen op het moment van publicatie van de mededeling. Bij een anticiperend beëindigingvoornemen kan de verzetstermijn verstrijken zonder dat het einde van de groepsband aan de orde is. Nieuwe crediteuren zouden geen gelegenheid hebben tot het instellen van verzet. Zie ook Beckman 1995, p. 344-345.
270. Een oplossing voor het vergeten in te trekken van een 403-verklaring is de verklaring te clausuleren. Twee varianten zijn denkbaar. Ten eerste kan een einddatum worden opgenomen in de 403-verklaring, waardoor een verbintenis onder ontbindende tijdsbepaling ontstaat. Zowel Ramanna als Beckman achten dit mogelijk.1Bartman meent dat een afzonderlijke intrekkingsverklaring als voorgeschreven in art. 2:404 lid 1 BW vereist blijft.2 Hij baseert zich op art. 25 lid 1 Hrgw, dat inhoudt dat op een feit dat door inschrijving of nederlegging bekend moet worden gemaakt, jegens een onkundige derde geen beroep kan worden gedaan tot de inschrijving of nederlegging daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Mijns inziens wordt door het opnemen van een einddatum in één verklaring de aansprakelijkstelling gecombineerd met een intrekkingsverklaring. Door die gecombineerde verklaring is voldaan aan zowel de publiciteitsvereisten voor de 403-verklaring als voor de intrekkingsverklaring. Ik schaar mij dus achter de opvatting van Beckmann en Ramanna.
De tweede mogelijkheid is om in de verklaring de voorwaarde op te nemen dat de aansprakelijkheid slechts geldt voor zover de vrijgestelde vennootschap deel uitmaakt van het concern. Ramanna vindt het op zodanige wijze clausuleren van de 403-verklaring in strijd met de rechtszekerheid die art. 2:404 BW beoogt te beschermen.3 Het Hof Amsterdam heeft deze constructie echter goedgekeurd door te bepalen dat dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van een voorwaardelijke 403-verklaring verviel vanaf het moment dat de vrijgestelde vennootschap niet langer tot de groep behoorde.4 Ook in de literatuur is de mogelijkheid van een voorwaardelijke 403-verklaring aanvaard.5