Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:317 BW:Stuiting van verjaring door aanmaning of mededeling
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:317 BW
Stuiting van verjaring door aanmaning of mededeling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 01-09-2025
Actueel t/m
01-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:317 BW
Art. 3:317 BW ziet op het afbreken van een lopende verjaring door middel van een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (lid 1), waarbij het om alle soorten van verbintenissen gaat (dus niet alleen om verbintenissen uit overeenkomst) en van andere rechtsvorderingen (lid 2). In het laatste geval dient de schriftelijke aanmaning binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in art. 3:316 BW.
Schriftelijke aanmaning of mededeling
De stelplicht en bewijslast dat er een stuitingshandeling in de zin van dit artikel heeft plaatsgevonden, ligt niet anders dan bij toepassing van art. 3:316 BW. Het betreft een bevrijdend verweer van de schuldeiser tegen het bevrijdende verjaringsverweer van de schuldenaar. De schuldeiser die zich, ter afwering van een beroep op verjaring door de schuldenaar, erop beroept dat de verjaring is gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in het artikel, zal dus de feiten en omstandigheden moeten stellen (en, bij voldoende betwisting, bewijzen) waaruit volgt dat hij een dergelijke stuitingshandeling heeft verricht. Op de schuldeiser rusten in dat geval de stelplicht en de bewijslast dat geen sprake is van een voltooide verjaring.1
Uit art. 3:37 lid 3 BW vloeit voort dat de schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling de schuldenaar moet hebben bereikt om haar werking te hebben. Zie over de vraag op wie de bewijslast daarvan rust, het commentaar op art. 3:37 lid 3 BW.
De rechter mag niet ambtshalve uit de inhoud van een zich in het procesdossier bevindende brief, zonder dat partijen zich in het kader van stuiting op die brief hebben beroepen, concluderen dat de verjaring is gestuit; daarmee zou sprake zijn van een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van het beroep op stuiting.2
Inhoud van de aanmaning of mededeling
Stuiting kan plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning of, in het geval van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voorwaarde is dat de wederpartij had behoren te begrijpen dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt en dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering wordt bedoeld.3
De schuldeiser die zich beroept op feiten en omstandigheden die de door hem voorgestane uitleg van de aanmaning of mededeling — namelijk een uitleg die ertoe leidt dat de inhoud voldoet aan de eisen die aan een stuitingshandeling gesteld worden — ondersteunen, draagt de bewijslast daarvan.
Of de inhoud van de mededeling aan die eisen voldoet, is een kwestie van rechterlijke waardering (uitleg)4 en leent zich niet zozeer voor bewijslevering. Wat zich wel voor bewijs kan lenen zijn (betwiste) feiten en omstandigheden die worden gesteld ter ondersteuning van een bepaalde uitleg van de aanmaning of mededeling.
Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient ook te worden gelet op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval.5 Ook indien de enkele tekst van de schriftelijke mededeling niet een voldoende duidelijke waarschuwing bevat, kan er nog plaats zijn voor bewijslevering (ook door het horen van getuigen) over de context en de overige omstandigheden van het geval.6
Gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW
In het geval van een andere rechtsvordering dan een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (lid 2), dient de schriftelijke aanmaning (een schriftelijke mededeling volstaat in dat geval niet) binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in art. 3:316 BW. De bewijslast dat de schriftelijke aanmaning tijdig is opgevolgd door een stuitingshandeling zoals bedoeld in art. 3:316 BW ligt bij de schuldeiser die zich op stuiting beroept.
Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. Smeehuijzen, rov. 3.3.3; vgl. ook conclusie A-G Bakels voor HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642: ‘Bij deze uitleg dient de rechter de Haviltex-maatstaf te hanteren.’ en conclusie A-G Vlas voor HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503: ‘De vraag of een schriftelijke mededeling als stuitingshandeling kan kwalificeren, is een kwestie van uitleg, waarbij niet alleen de letterlijke tekst doorslaggevend is. Van belang is ook of de schuldenaar in de gegeven omstandigheden daaruit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.’
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:317 BW
Stuiting van verjaring door aanmaning of mededeling
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 01-09-2025
01-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:317 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 317
Algemeen
Art. 3:317 BW ziet op het afbreken van een lopende verjaring door middel van een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (lid 1), waarbij het om alle soorten van verbintenissen gaat (dus niet alleen om verbintenissen uit overeenkomst) en van andere rechtsvorderingen (lid 2). In het laatste geval dient de schriftelijke aanmaning binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in art. 3:316 BW.
Schriftelijke aanmaning of mededeling
De stelplicht en bewijslast dat er een stuitingshandeling in de zin van dit artikel heeft plaatsgevonden, ligt niet anders dan bij toepassing van art. 3:316 BW. Het betreft een bevrijdend verweer van de schuldeiser tegen het bevrijdende verjaringsverweer van de schuldenaar. De schuldeiser die zich, ter afwering van een beroep op verjaring door de schuldenaar, erop beroept dat de verjaring is gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in het artikel, zal dus de feiten en omstandigheden moeten stellen (en, bij voldoende betwisting, bewijzen) waaruit volgt dat hij een dergelijke stuitingshandeling heeft verricht. Op de schuldeiser rusten in dat geval de stelplicht en de bewijslast dat geen sprake is van een voltooide verjaring.1
Uit art. 3:37 lid 3 BW vloeit voort dat de schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling de schuldenaar moet hebben bereikt om haar werking te hebben. Zie over de vraag op wie de bewijslast daarvan rust, het commentaar op art. 3:37 lid 3 BW.
De rechter mag niet ambtshalve uit de inhoud van een zich in het procesdossier bevindende brief, zonder dat partijen zich in het kader van stuiting op die brief hebben beroepen, concluderen dat de verjaring is gestuit; daarmee zou sprake zijn van een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van het beroep op stuiting.2
Inhoud van de aanmaning of mededeling
Stuiting kan plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning of, in het geval van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voorwaarde is dat de wederpartij had behoren te begrijpen dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt en dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering wordt bedoeld.3
De schuldeiser die zich beroept op feiten en omstandigheden die de door hem voorgestane uitleg van de aanmaning of mededeling — namelijk een uitleg die ertoe leidt dat de inhoud voldoet aan de eisen die aan een stuitingshandeling gesteld worden — ondersteunen, draagt de bewijslast daarvan.
Of de inhoud van de mededeling aan die eisen voldoet, is een kwestie van rechterlijke waardering (uitleg)4 en leent zich niet zozeer voor bewijslevering. Wat zich wel voor bewijs kan lenen zijn (betwiste) feiten en omstandigheden die worden gesteld ter ondersteuning van een bepaalde uitleg van de aanmaning of mededeling.
Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient ook te worden gelet op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval.5 Ook indien de enkele tekst van de schriftelijke mededeling niet een voldoende duidelijke waarschuwing bevat, kan er nog plaats zijn voor bewijslevering (ook door het horen van getuigen) over de context en de overige omstandigheden van het geval.6
Gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW
In het geval van een andere rechtsvordering dan een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (lid 2), dient de schriftelijke aanmaning (een schriftelijke mededeling volstaat in dat geval niet) binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging zoals bedoeld in art. 3:316 BW. De bewijslast dat de schriftelijke aanmaning tijdig is opgevolgd door een stuitingshandeling zoals bedoeld in art. 3:316 BW ligt bij de schuldeiser die zich op stuiting beroept.
Voetnoten
1.
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2064, RvdW 2014/77, rov. 5.3.2.
2.
HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6628, NJ 2002/266, rov. 3.2; zie in dit verband ook HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2798, NJ 1999/269, rov. 3.4 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, NJ 2016/222, rov. 3.4.
3.
Zie o.a. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2274, NJ 1997/244, rov. 3.5; HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494, NJ 2008/373, rov. 3.5 en HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615, NJ 2010/545, rov. 3.5.
4.
Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. Smeehuijzen, rov. 3.3.3; vgl. ook conclusie A-G Bakels voor HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642: ‘Bij deze uitleg dient de rechter de Haviltex-maatstaf te hanteren.’ en conclusie A-G Vlas voor HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503: ‘De vraag of een schriftelijke mededeling als stuitingshandeling kan kwalificeren, is een kwestie van uitleg, waarbij niet alleen de letterlijke tekst doorslaggevend is. Van belang is ook of de schuldenaar in de gegeven omstandigheden daaruit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.’
5.
Zie o.a. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. Smeehuijzen, rov. 3.2.3 en HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439, rov. 3.6.2.
6.
Zie conclusie A-G Hartlief voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3255 (ECLI:NL:PHR:2017:1322).