Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.8
2.4.8 Volmachtverlening
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381612:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/22;Van Schaick 2011, nr. 13; Conclusie A-G Keus bij HR 17 oktober 2014, RvdW 2014/1166; Bloembergen 1986, p. 21; Biemans 2010, p. 821. Volmacht kan ook verleend worden in een lastgevings- of arbeidsovereenkomst (art. 7:687 BW).
Van Schaick 2011, nr. 13.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/22, 24.
Bloembergen 1986, p. 39.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 101.
Zie ook Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 263 (TM); HR 25 februari 1987, NJ 1987/657. Op dit uitgangspunt gelden uitzonderingen. Het vestigen van een hypotheekrecht als gevolmachtigde van de hypotheekgever kan alleen als de volmacht bij authentieke akte verleend is, zie art. 3:260 lid 3 BW. Dit vormvereiste wordt kritisch bejegend door E.A. de Jong en J.P.G. Tops, ‘Hypotheekverlening bij onderhandse volmacht’, WPNR 7043 (2014), par. 4. Zie voor een overzicht van vormgebonden volmachten Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/26. Van Schaick (2011, nr. 17) bepleit dat voor de volmachtverlening dezelfde vormvoorschriften gehanteerd moeten worden als voor de door de gevolmachtigde te verrichten rechtshandeling.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 253 (TM); Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/ 23. Anders: Van Schaick 2011, nr. 13.
HR 5 september 2014, NJ 2015/21, waarin de Hoge Raad verwijst naar HR 11 maart 1977, NJ 1977/521 (Kribbenbijter).
HR 12 oktober 2012, NJ 2012/686.
Van Schaick 2011, nr. 12.
HR 24 januari 1997, NJ 1997/231.
HR 19 februari 2010, NJ 2010/115. Zie ook HR 27 november 1992, NJ 1993/287 (Felix/Aruba); HR 26 september 2008, RvdW 2008/899; HR 11 maart 2011, NJ 2012/388; HR 2 december 2011, NJ 2012/389; HR 3 februari 2012, JOR 2012/101 m.nt. Schuijling (Fujitsu/Exel); Rb. Rotterdam 26 november 2014, JOR 2015/161 m.nt. Spierings.
Wachter 1972, p. 13.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/48.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 294 (MvA II); Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/72.
Daarnaast kan de volmacht voor bepaalde tijd zijn verleend en eindigen door tijdsverloop; zij kan eindigen door het eindigen van een onderliggende rechtsverhouding zoals een arbeidsovereenkomst (zie Bloembergen 1986, p. 41); doordat de rechtshandeling waarvoor volmacht verleend is, verricht is of onmogelijk is geworden (Hijma e.a. 2013, nr. 116); of doordat de ontbindende voorwaarde waaronder zij is verleend in vervulling is gegaan (Van Schaick 2011, nr. 57).
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/69. Een ongeldig verleende onherroepelijke volmacht zal in het algemeen als gewone volmacht geldig zijn. Het dwingendrechtelijk karakter van de herroepelijkheid, behoudens in het geval dat in art. art. 3:74 BW wordt geregeld, kan ook a contrario afgeleid worden uit het gebruik van de woorden ‘tenzij anders is bepaald’ in sub b van art. 3:72 BW, wat ontbreekt in sub c.
De wet kan het verlenen van een onherroepelijke volmacht voor bepaalde rechtshandelingen expliciet uitsluiten, zoals bijvoorbeeld in art. 7a:1576g BW voor de volmacht die de koper aan de verkoper verleent in het kader van een koop op afbetaling, voor het invorderen van zijn loon of andere periodieke vorderingen ter zake van een arbeidsovereenkomst.
W. Snijders 1999 I, p. 564. Bloembergen (1988, p. 43) schrijft dat de onherroepelijkheidsclausule niet faillissementsbestendig is; het zou in strijd zijn met het karakter van faillissement als de gevolmachtigde de boedel zou kunnen binden.
Van Schaick 2011, nr. 57; Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:38 BW, aant. 34.1, M.M. Olthof.
Bloembergen 1986, p. 23.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/24.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/25.
Van Schaick 2011, nr. 14.
Biemans 2010, p. 822. Zie ook Bloembergen 1988, p. 21. Biemans baseert zich op HR 24 1938, NJ 1939/337 dat ziet op afstand van huwelijksgemeenschap.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/80. Andersom kan volgens Bloembergen (1988, p. 40) de rechtshandeling niet vernietigd worden als de gevolmachtigde wel, maar de volmachtgever niet dwaalde.
58. Artikel 3:60 BW geeft als definitie van volmacht de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. De verlening van volmacht is een gerichte eenzijdige rechtshandeling.1 Het beoogde rechtsgevolg, het ontstaan van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gevolmachtigde, komt tot stand door de wilsuiting van één persoon, de volmachtgever. De gevolmachtigde hoeft deze bevoegdheidstoedeling niet te aanvaarden. Van Schaick schrijft dat geen volmacht tot stand komt als de gevolmachtigde de volmachtverlening afwijst.2 Als gevolg van de volmachtverlening is de volmachtgever gebonden aan de rechtshandelingen die de gevolmachtigde namens hem verricht, althans voor zover ze binnen de reikwijdte van de volmacht vallen.3 De volmachtverlening zelf brengt echter nog geen verandering in de vermogensrechtelijke positie van de volmachtgever. Zij schept zelf geen verbintenissen voor de volmachtgever.4 Uit de volmacht vloeien bepaalde verplichtingen voort voor de gevolmachtigde, die ermee verband houden dat hij zich moet gedragen als een goed gevolmachtigde. Zo mag hij geen gebruik maken van zijn volmacht in strijd met de instructies van de volmachtgever, moet hij de volmachtgever inlichten over het gebruik van zijn volmacht en bij het einde van de volmacht moet hij geschriften waaruit de volmacht blijkt, teruggeven. Bloembergen kwalificeert deze verplichtingen als verbintenissen.5 Van der Grinten & Kortmann noemen de verplichtingen echter rechtsplichten, en bij die kwalificatie sluit ik me aan.6 De volmacht brengt mee dat de gevolmachtigde aan bepaalde gedragsnormen moet voldoen, maar er is geen sprake van het verschuldigd worden van een prestatie die de gevolmachtigde moet verrichten en waartoe de volmachtgever is gerechtigd.
Het verlenen van een volmacht kan ingevolge art. 3:61 lid 1 BW uitdrukkelijk of stilzwijgend en is dus vormvrij.7 Volmachtverlening moet in beginsel worden gericht tot de gevolmachtigde. In de literatuur en parlementaire geschiedenis wordt echter verdedigd dat volmacht ook kan worden verleend door een daartoe strekkende verklaring te richten tot de wederpartij met wie de principaal een rechtsbetrekking wil aangaan.8
De Hoge Raad heeft bepaald dat de vraag of een volmacht is verleend in de interne verhouding, dat wil zeggen de verhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde, beantwoord moet worden op grond van hetgeen volmachtgever en gevolmachtigde jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.9 In een eerder arrest bepleitte AG De Vries Lentsch-Kostense al dat de Haviltex-maatstaf moet worden toegepast.10
Over de uitlegmaatstaf voor de inhoud en strekking van een volmacht in de externe verhouding tussen volmachtgever en wederpartij schrijft Van Schaick dat het redelijk is dat de wederpartij die niet aanwezig is geweest bij de volmachtverlening afgaat op de tekst van het geschrift.11 De Hoge Raad heeft bepaald dat een wederpartij pas mag aannemen dat een volmacht ten voordele van een derde is verleend als dit ondubbelzinnig uit de volmacht blijkt. Die ondubbelzinnige strekking hoeft echter niet met zoveel woorden uit de volmacht te blijken, zolang de volmacht op dit punt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is.12 Jegens de wederpartij kan de volmachtgever op grond van art. 3:61 lid 2 BW ook gebonden zijn aan de schijn van volmachtverlening, als die schijn gewekt is door zijn toedoen, of door omstandigheden die in zijn risicosfeer vallen. 13
Wachter heeft verdedigd dat voor het aannemen van een rechtsband tussen volmachtgever en wederpartij de billijkheid de doorslaggevende factor is. Interne afspraken tussen volmachtgever en gevolmachtigde kunnen volgens hem niet worden tegengeworpen aan de wederpartij.14 Volgens Kortmann gaat dit te ver en wordt de omvang van de volmacht in beginsel bepaald door de volmachtgever.15 De redelijkheid en billijkheid spelen wel een rol bij de beoordeling uit hoofde van art. 3:74 lid 4 BW, dat bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de volmachtgever, diens erfgenaam of curator de onherroepelijkheid van een volmacht kan wijzigen of buiten werking kan stellen. Hiertoe moeten ‘gewichtige redenen’ bestaan. De parlementaire geschiedenis duidt dit als het intreden van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat degene in wiens belang het beding is opgenomen, naar redelijkheid en billijkheid handhaving van de volmacht niet mag verwachten, en het geval dat de gevolmachtigde op een manier van de volmacht gebruik maakt die jegens de volmachtgever kennelijk onredelijk is.16
59. Art. 3:72 BW schrijft voor dat volmacht eindigt door dood, faillissement of ondercuratelestelling van de volmachtgever en gevolmachtigde, maar ook kan eindigen door een rechtshandeling.17 De volmachtgever kan de volmacht herroepen en de gevolmachtigde kan haar opzeggen.18 Volmachtverlening is dus in beginsel herroepelijk. Art. 3:74 lid 1 BW bevat daarop een uitzondering. Voor zover de volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde, kan zij onherroepelijk worden verleend. Buiten dit geval kan geen onherroepelijke volmacht worden verleend.19,20 De herroeping heeft geen terugwerkende kracht en heeft dus niet tot gevolg dat reeds op grond van de volmacht verrichte rechtshandelingen hun geldigheid verliezen.21
In de literatuur wordt aangenomen dat volmachtverlening onder (zowel ontbindende als opschortende) voorwaarde of tijdsbepaling mogelijk is.22
Niet uitgekristallisseerd is of volmachtverlening kan worden vernietigd op grond van dwaling. Bloembergen werpt de vraag op, maar beantwoordt haar niet.23 Kortmann schrijft dat volmachtverlening nietig of vernietigbaar kan zijn op gronden die in het algemeen rechtshandelingen nietig of vernietigbaar doen zijn,24 maar gaat niet specifiek in op de toepasselijkheid van de dwalingsregeling. Wel overweegt hij dat de volmachtverlening vernietigbaar is als de volmachtgever de volmacht verleent omdat hij ten onrechte meent hiertoe te zijn gehouden en de gevolmachtigde dit weet of redelijkerwijs moet weten.25 Dit schrijft Kortmann in de context van de vraag naar analoge toepasselijkheid van art. 6:229 BW. Dat wetsartikel is volgens Kortmann niet per definitie van toepassing op volmacht, nu zij niet naar haar aard een voortbouwende rechtshandeling is. De toepasselijkheid hangt af van de omstandigheden van het geval. Van Schaick meent dat volmachtverlening wel een voortbouwende rechtshandeling is en dat art. 6:229 BW dus van toepassing is. Daaruit volgt, dat de volmacht nietig is, als de onderliggende rechtsverhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde nietig is.26 Biemans meent dat volmachtverlening een abstracte rechtshandeling is, die losstaat van een onderliggende rechtsverhouding.27 Ondanks nietigheid van die rechtsverhouding blijft de volmacht geldig.
Volgens Kortmann is de rechtshandeling die de vertegenwoordiger verricht vernietigbaar als de vertegenwoordigde dwaalt bij het geven van de opdracht aan de vertegenwoordiger. Dan wordt echter niet de volmachtverlening zelf vernietigd.28