Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.1.3.2:IV.10.1.3.2 Beoordeling van het huidige recht op het onderzochte terrein
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.1.3.2
IV.10.1.3.2 Beoordeling van het huidige recht op het onderzochte terrein
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499093:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Binnen het onderzoeksgebied – de financiering van ondernemingen – liggen de voornaamste knelpunten tussen de strekking en de concrete uitwerking van de omzetbelasting bij het ondernemerschap en het recht op aftrek van voorbelasting. Zij gaan vooral financiers aan, maar raken in voorkomende gevallen ook ontvangers van financiering. In het bijzonder als omzetbelasting is verschuldigd voor non-verbruik bij financiers, treft dat in de regel ook de gefinancierde. De financier zal immers trachten de belasting die hij betaalt af te wentelen op degene die de financiering wil ontvangen.
Wat betreft het ondernemerschap kan het een knelpunt worden genoemd dat de economische activiteit ‘exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen’ op basis van de jurisprudentie met enige goede wil zo ruim kan worden uitgelegd, dat zelfs particulieren met een spaarrekening ondernemer zijn. Naar mijn mening gaat dit te ver, maar hoe dan ook kan worden gesteld dat het voor de omzetbelasting wezenlijke onderscheid tussen bedrijfshuishoudingen en consumptiehuishoudingen is vervaagd. Verder leidt het voor een economische activiteit vereiste streven naar opbrengst uit prestaties onder bezwarende titel (opbrengstcriterium) ertoe dat, bijvoorbeeld, houdstermaatschappijen in concerns en bepaalde bedrijfsmatige overnemers van schuldvorderingen geen ondernemer zijn. Bij dergelijke partijen is van consumptie echter geen sprake. Conform de strekking van de belasting zouden zij daarom wel ondernemer moeten zijn. Ten slotte is er het regelmaatcriterium dat incidentele economische activiteiten soms buiten de belastingplicht houdt. Van deze knelpunten zijn vooral voor het opbrengstcriterium rechtvaardigingen aan te voeren.
Dat het verschaffen van financiering veelal geen belaste prestatie is, is in grote lijnen te verenigen met de strekking van de belasting. Het leidt als zodanig namelijk niet tot verbruik, zeker niet als ondernemingen het ontvangen. Om dezelfde reden is de niet-heffing van omzetbelasting bij de overdracht van aandelen en obligaties in overeenstemming met de strekking van de belasting. Het onbelast blijven van de toegevoegde waarde van, bijvoorbeeld, banken en effectenhandelaren is wel een knelpunt, echter alleen voor zover die direct ten goede komt aan eindverbruikers (of ondernemers zonder volledig recht op aftrek van voorbelasting). Dit is te rechtvaardigen door de technische moeilijkheid van het belasten van die toegevoegde waarde.
Wat betreft het recht op aftrek van voorbelasting doen zich diverse knelpunten voor. Conform de strekking van de belasting zou namelijk worden verwacht dat degene die als ondernemer financiering verstrekt aan een onderneming, volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft voor de daarmee gemoeide kosten. Er treedt bij degene die de financiering verstrekt immers geen verbruik op. Hetzelfde geldt bij het overdragen van deelnemingen of verhandelbare schuldinstrumenten. Naar het huidige recht blijkt echter niet steeds volledig recht op aftrek van voorbelasting te bestaan. Dit geldt in het bijzonder als sprake is van vrijgestelde dienstverlening, zoals bij de verlening van krediet en de overdracht van effecten. De facto wordt hierdoor nonverbruik belast. Hiervoor is een aantal rechtvaardigingen aan te voeren, maar geen enkele overtuigt echt.
Bij ontvangers van financiering is enkel een knelpunt dat overdrachten van schuldvorderingen mogelijk leiden tot een beperking van het recht op aftrek van voorbelasting. Daarvoor bestaat naar mijn mening geen sterke rechtvaardiging.
Ten slotte bestaan mogelijkheden tot belastingplanning via de kapitaalsfeer. Deze zijn mede het gevolg van de omstandigheid dat voor de omzetbelasting geen verplichting bestaat in gelieerde verhoudingen zakelijke prijzen te hanteren. In bepaalde gevallen bestaat een prikkel een lagere (of hogere) vergoeding voor goederenleveringen of diensten overeen te komen. Het verlies (of de overwinst) wordt daarna via de kapitaalrelatie weer recht getrokken, met dien verstande dat een besparing in de verschuldigde omzetbelasting kan worden gerealiseerd. Een rechtvaardiging voor het laten bestaan van deze planningsmogelijkheden is dat het bestrijden ervan, door het invoeren van een normale waarde, aanmerkelijke nadelen op het gebied van rechtszekerheid, eenvoud en uitvoerbaarheid meebrengt. Daarbij is onduidelijk hoe vaak bedoelde planning voorkomt. Mogelijk is het probleem beperkt.