Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/9.2
9.2 Afbakening: rechtsverwerking, opzegging en overdracht
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381638:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Van het eigendomsrecht op een onroerende zaak kan geen afstand worden gedaan, HR 20 juni 1997,NJ 1999/301 (Luidens c.s./Aruba); HR 11 maart 1966, NJ 1966/330 (Nederlandse Antillen/Exploitatie Maatschappij van Zoutmeren); Van Schaick 2014, nr. 4. Anders is verdedigd door Tjittes 1992, nr. 31. In de literatuur wordt aangenomen dat afstand van bezit van een onroerende zaak eveneens onmogelijk is, nu het loslaten van de eigendomspretentie niet rijmt met het behouden van de eigendom, zie o.m. Van Schaick 2014, nr. 4; Rank-Berenschot 2012, nr. 61; Tjittes 1992, nr. 29. Er bestaat nog discussie over de mogelijkheid van afstand van bezit van een onroerende zaak in het geval eigendom en bezit niet in dezelfde hand zijn. Vóór pleiten Bartels (S.E. Bartels, ‘Afstand van bezit van een onroerende zaak’, NTBR 2009/43; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/172) en Rank-Berenschot 2012, nr. 61. Van Schaick 2014, nr. 4 wijst deze opvatting af. Ik sluit me hierbij aan. De mogelijkheid om afstand te doen van een eigendomsrecht op een onroerende zaak wordt onwenselijk geacht omdat zo via art. 5:24 BW de Staat een stuk grond in de maag gesplitst kan worden met een negatieve waarde, bijvoorbeeld doordat de grond ernstig vervuild is. Het is evenzeer onwenselijk als door het prijsgeven van bezit de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen ex art. 6:174 BW afgewenteld kan worden op de eigenaar bij wie volgens Bartels en Rank-Berenschot het bezit terugkeert. Het argument dat men door het doen van afstand een ander geen ongewenst geschenk moet kunnen opdringen, is een (gedeeltelijke) verklaring voor het onderscheid tussen eenzijdige en meerzijdige afstand. Hier ga ik nader op in in par. 9.3.1.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/435; Tjittes 2013, nr. 6.
Zie bijv. HR 8 december 1927, NJ 1928/336 (Kerstholt/Rasker); Houwing 1968, p. 2 en de daar genoemde jurisprudentie. Houwing was kritisch op deze constructie omdat zij ngeen steun vond in de vertrouwensleer – een gerechtvaardigd vertrouwen was in de behandelde jurisprudentie nauwelijks denkbaar, zie p. 16-18. Vgl. Tjittes 2013, nr. 4; Valk 1993, p. 10 en p. 91 e.v.; Aaftink 1974, p. 22-24. Büchenbacher concludeerde dat rechtsverwerking optrad waar de gerechtigde een handeling verrichte of nalietwelke onverenigbaar was met zijn vroeger recht, ofwel subjectief, door het opwekken van vertrouwen, ofwel objectief, waarbij de rechtsverwerking uit de veranderde constellatie voortvloeit ook al zijn partijen zich hier niet van bewust. A. Büchenbacher, Rechtsverwerking. Of het tenietgaan van rechten door eigen toedoen vande gerechtigde, diss. Amsterdam 1928, p. 51-52.
Zoals art. 6:89 of 7:23 BW.
HR 25 mei 1990, NJ 1990/579. Valk onderscheidt drie categorieën van rechtsverwerking: op grond van opgewekt vertrouwen, wegens onrechtmatige benadeling en op grond van tijdsverloop, zie Valk 1993, p. 91.
HR 16 april 1993, NJ 1993/367 (Amaya/Aruba Hotel).
HR 12 mei 1972, NJ 1973/53 (Paviljoen Meerzicht).
HR 18 oktober 2002, NJ 2002/565 (Avago/Axel); HR 10 februari 1967, NJ 1967/212.
Tjittes 2013, nr. 6.
Tjittes 1992, nr. 7.
Overeenkomsten kunnen opgezegd worden indien partijen dat in hun contract regelen, of, als het gaat om een overeenkomst voor onbepaalde tijd, waarin partijen opzegging niet expliciet hebben uitgesloten, als opzegging wettelijk geregeld is (zie art. 7:669 BW voor de arbeidsovereenkomst en art. 7:271 lid 2 BW voor de huurovereenkomst) of op grond van de redelijkheid en billijkheid, mits de aard en strekking van de overeenkomst zich niet tegen opzegging verzet (zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 408).
Zie art. 3:81 lid 2 sub d BW, “indien de bevoegdheid daartoe bij de wet of bij de vestiging van het recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt gerechtigde of aan beiden is toegekend”. Zie ook art. 5:87 lid 2 BW over de opzegging van het recht van erfpacht, dat via art. 5:104 lid 2 BW ook toepasselijk is op het opstalrecht.
Bewind kan opgezegd worden door de rechthebbende indien het bewind was ingesteld vanwege diens afwezigheid (art. 1:411 sub b BW), dertig jaar na het overlijden van de onder bewind gestelde erflater (4:178 lid 1 en 4:179 lid 2 BW), of vijf jaar na het overlijden van de erflater, als het bewind was ingesteld in het belang van de rechthebbende en één of meer anderen (4:180 lid 2 BW).
Art. 2:35 lid 2 sub b en c BW.
Vgl. nr. 40 e.v.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 404 (TM).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 310 (MvA II). In het Ontwerp Meijers was opzegging als grond voor het tenietgaan gaan van beperkte rechten nog niet opgenomen (zie p. 309).
Aaftink 1974, p. 14.
Zie hierover J.E. Jansen, ‘Over prijsgeving, overdracht en afval in het goederenrecht’, GROM XXIX (2012), p. 69-89.
374. Als gesproken wordt van afstand van recht, doelt men op het prijsgeven van een subjectief recht. Iemand kan afstand doen van onder meer zijn eigendomsrecht op een roerende zaak,1 van beperkte rechten, van wilsrechten en van vorderingsrechten. Men kan ook een uit de wet voortvloeiend recht, bevoegdheid of positie prijsgeven. Afstand van dwingend recht is in beginsel niet mogelijk, bijvoorbeeld afstand van door het verloop van een wettelijke vervaltermijn verkregen rechten.2
375. Afstand van recht en rechtsverwerking zijn nauw verwant. Zij draaien beide om het verlies van een recht. Rechtsverwerking werd in de rechtspraak ten tijde van het Oud BW gezien als een stilzwijgende afstand van recht, althans een gerechtvaardigd vertrouwen daarop.3 Naar huidig burgerlijk recht wordt rechtsverwerking echter gebaseerd op ofwel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ofwel de wet.4
Rechtsverwerking is het verlies van een recht tegen de wil van de rechthebbende, op grond van feitelijke gedragingen.5 De aanspraak van de rechthebbende zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, gezien daarmee onverenigbaar eerder gedrag.6 Afstand van recht is daarentegen een rechtshandeling en vereist daarom een wilsverklaring waaruit het oogmerk van de verklarende blijkt om zijn recht prijs te geven, althans dat degene tot wie de wilsverklaring was gericht gerechtvaardigd die strekking daaraan mocht toekennen. Voor afstand van recht is, anders dan voor rechtsverwerking,7 eveneens nodig dat de verklarende persoon kennis heeft van het recht waarvan hij afstand doet.8 Bovendien kunnen de rechtgevolgen van afstand en rechtsverwerking uit elkaar lopen. Waar het rechtsgevolg van afstand van recht altijd rechtsverlies is, kan rechtsverwerking ook een tijdelijke opschorting betekenen of een processueel gevolg hebben zoals een verlichting of omkering van de bewijslast.9 Niettemin zijn afstand van recht en rechtsverwerking in de praktijk niet steeds gemakkelijk uit elkaar te houden, zeker als stilzwijgend afstand wordt gedaan.
376. Een tweede aan afstand van recht verwante figuur is opzegging. Ook door opzegging kan vrijwillig een recht worden prijsgegeven. Afstand en opzegging kunnen echter naast elkaar bestaan. Tjittes merkt op dat het werkingsterrein van opzegging veel kleiner is dan dat van afstand. Volgens Tjittes kunnen in beginsel alleen (duur)overeenkomsten en beperkte rechten opgezegd worden, terwijl afstand in veel meer situaties een rol speelt.10 Dat lijkt mij echter niet het belangrijkste verschil. Ten eerste komt men opzegging niet alleen tegen bij overeenkomsten11 en beperkte rechten,12 maar ook bij bewind,13 volmacht14 en lidmaatschap van een vereniging15 of een coöperatie.16 Ten tweede heeft opzegging, zoals uit deze voorbeelden blijkt, een ander karakter dan afstand. Opzegging ziet op het beëindigen van een rechtsverhouding. Als gevolg van die beëindiging kunnen rechten tenietgaan, en de opzeggende partij kan het oogmerk hebben om door opzegging zijn bestaande rechten prijs te geven. Dat is echter het bijkomende rechtsgevolg van het tot een einde brengen van de juridische band tussen de opzeggende en zijn wederpartij. Daarnaast heeft opzegging tot gevolg dat toekomstige rechten worden prijsgegeven. Afstand kan ook zien op het prijsgeven van in het verleden verworven rechten.
377. Beperkte rechten kunnen zowel tenietgaan door afstand (art. 3:81 lid 2 sub c BW) als door opzegging (art. 3:81 lid 2 sub d BW). Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling,17 waarmee de opzeggende partij beoogt de rechtsverhouding te beëindigen die bestaat tussen hem en zijn wederpartij. Voor afstand van beperkte rechten vereist de wetgever een meerzijdige rechtshandeling. Dezelfde eisen worden gesteld voor afstand als voor vestiging en overdracht van een beperkt recht, omdat afstand wordt beschouwd als een overdracht van het beperkte recht aan de hoofdgerechtigde.18 Hoewel de wetgever dus principieel kiest voor meerzijdige afstand van beperkte rechten, creëert hij daarnaast de mogelijkheid van het eenzijdig tenietdoen van een beperkt recht door opzegging. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover overwogen dat het wenselijk is opzegging van beperkte rechten toe te laten, mits de bevoegdheid tot opzegging een wettelijke grondslag heeft of bij de vestiging van het beperkte recht bedongen is.19 Op deze manier bewerkstelligde de wetgever dat hij zelf invloed had op de vraag welke beperkte rechten door opzegging teniet konden gaan (erfpacht en opstal). Voor andere beperkte rechten moeten de betrokkenen onderling overeenstemming bereiken over de mogelijkheid van eenzijdige opzegging. De mogelijkheid om door een eenzijdige rechtshandeling een beperkt recht prijs te geven, blijft dus beperkt, althans voor zover partijen daarover geen afspraken maken.
378. Ook overdracht is een manier om een recht te verliezen. Het verschil met afstand bestaat erin dat degene die afstand doet zijn recht niet in het vermogen van een ander wil doen overgaan, maar slechts het recht buiten zijn vermogen wil plaatsen. Bij uitzondering valt het recht waarvan afstand gedaan is direct in het vermogen van een ander.20 Overdracht en afstand hebben gemeen dat er een vermogensverschuiving kan plaatsvinden. In een concreet geval kan onduidelijkheid bestaan over de vraag of de rechthebbende zijn recht heeft willen prijsgeven danwel wilde overdragen, bijvoorbeeld in de situatie dat hij roerende zaken aan de straat plaatst. Of sprake is van derelictie, waardoor het goed een res nullius wordt en een ander door inbezitneming de eigendom kan verkrijgen, of van overdracht aan iemand die de zaak later komt ophalen, hangt af van het oogmerk van de eigenaar. Als het primair zijn bedoeling is de eigendom van de zaken kwijt te raken, dan is sprake van derelictie, terwijl sprake is van overdracht als het oogmerk was om de goederen over te dragen aan een verkrijger.21