Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/5.5.2
5.5.2 Vermogensrechten van de geadresseerde
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377974:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Deze situatie moet onderscheiden worden van het geval waarin de geadresseerde een bestaande vordering verkrijgt, waaraan een wilsrecht verbonden is. Een voorbeeld daarvan is de converteerbare obligatie, zie Prinsen 2004, o.m. p. 33, 96, 106, 138.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 876 (TM).
Rupke 1914, p. 81; W. Snijders 1999 I, p. 560; noot G.J. Scholten bij Lindeboom/Amsterdam (NJ 1970/54); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/177; Jansen 2000, p. 7.
Zie over wilsrechten par. 2.4.1. Naar Belgisch en Frans recht wordt aangenomen dat een verbintenis ontstaat om het aanbod open te houden. Deze opvatting richt zich dus meer op de onherroepelijkheid van het aanbod. Zie Cauffman 2005, p. 291-292.
Prinsen 2004, p. 45.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 603 (TM). Zie ook Prinsen 2004, p. 45.
Van Schaick neemt dit aan voor de bruikleenovereenkomst, Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/197.
238. Een onherroepelijk aanbod schept (toekomstige) verbintenissen voor de aanbieder, en veroorzaakt spiegelbeeldige veranderingen in het vermogen van de geadresseerde van het aanbod. Hierbij onderstreep ik mijn standpunt dat een openbaar aanbod in beginsel niet beschouwd kan worden als een aanbod en dat een tot het publiek gerichte wilsuiting dus doorgaans niet deze rechtsgevolgen doet ontstaan.
De toekomstige verbintenis tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de tot stand te brengen overeenkomst vertaalt zich in een toekomstige vordering in het vermogen van de geadresseerde. De geadresseerde verkrijgt een toekomstige vordering tot nakoming van de contractuele verplichtingen van de aanbieder. Uitoefening van het wilsrecht maakt van de toekomstige vordering een bestaande.1
De vraag rijst of deze toekomstige vordering voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Dit is relevant voor de vraag of op de toekomstige vordering een stil pandrecht gevestigd kan worden (art. 3:239 lid 1 BW), of er beslag op gelegd kan worden (art. 475 Rv) en of de vordering stil gecedeerd kan worden (art. 3:94 lid 3 BW). Ik meen dat de toekomstige vordering tot nakoming voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding zoals bedoeld in die artikelen. Hierop kom ik terug in nr. 242 e.v.
239. In de parlementaire geschiedenis2 en literatuur3 wordt algemeen aangenomen dat de geadresseerde van een aanbod een wilsrecht verkrijgt.4 Met het uitoefenen van zijn wilsrecht, doordat hij het aanbod aanvaardt, komt een overeenkomst tot stand. Dit wilsrecht is mijns inziens in veel gevallen te beschouwen als een vermogensrecht, namelijk als uitoefening van het wilsrecht aan de rechthebbende stoffelijk voordeel verschaft, of het wilsrecht is verkregen in ruil voor in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.5
Het wilsrecht moet mijns inziens worden beschouwd als een nevenrecht bij het toekomstige vorderingsrecht. Dit recht is niet genoemd in art. 6:142 BW, maar de daar gegeven opsomming is niet uitputtend.6 Volgens Meijers is het recht om een vordering opeisbaar te maken, een nevenrecht bij dat vorderingsrecht.7
240. De geadresseerde van een aanbod verkrijgt ten slotte een bestaande zelfstandige vordering op de aanbieder tot nakoming van de nevenverbintenissen tot het in stand houden van het aangebodene en tot nakoming van de verplichting om zich als een goed huisvader te gedragen.8 Indien de aanbieder zijn verplichtingen niet vervult, kan de geadresseerde nakoming vorderen op grond van art. 3:296 BW of schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW.9 De grondslag van de verbintenis is het aanbod als eenzijdige rechtshandeling.
In complexe handelstransacties kunnen partijen optreden die enkel opereren als doorverkoper en die de waren nooit zelf onder zich hebben. Gedurende de periode dat zijn aanbod staat, kan de aangebodene ook een doorverkoper aanspreken op zijn verplichtingen als ‘goed huisvader’. Hij is op dat moment immers verantwoordelijk voor de staat waarin de te verhandelen goederen zich bevinden. Vaak zal verwaarlozing van de goederen echter pas blijken na het sluiten van de koopovereenkomst en de levering. De precontractuele plicht is dan opgegaan in de contractuele verhouding en de wederpartij kan zich beroepen op non-conformiteit van het geleverde.