De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.8.2:7.3.8.2 Tot wie?
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.8.2
7.3.8.2 Tot wie?
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375600:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
324. Tot wie moet een vernietigingsverklaring aangaande een uiterste wilsbeschikking worden gericht? De regel van art. 3:50 lid 1 BW heeft op het eerste gezicht geen betekenis, omdat de enige die kan worden gezien als ‘partij’ bij de rechtshandeling de erflater is en hij is overleden op het moment dat vernietiging aan de orde is. Omdat de uiterste wilsbeschikking een ongerichte eenzijdige rechtshandeling is, moet blijkens art. 3:56, aanhef en sub b BW de vernietigingsverklaring worden gericht tot degenen die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van de handeling.
Voor alle vernietigingsgronden geldt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaart één jaar nadat zowel de dood van de erflater, als de uiterste wilsbeschikking, als de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van degene die zich op de vernietigingsgrond kan beroepen.1 Niettegenstaande deze verjaring kan bij wijze van exceptief verweer toch een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.2 De korte verjaringstermijn van één jaar hangt samen met het feit dat de verjaringstermijn pas gaat lopen als de drie hiervoor genoemde feiten bekend zijn geworden. Het aanvangsmoment van de verjaring kan dus lang op zich laten wachten.3 In art. 4:54 lid 2 BW is daarom een vervaltermijn opgenomen, inhoudend dat de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt uiterlijk drie jaar nadat de dood van de erflater en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene die een beroep op de vernietigingsgrond kan doen. Het feit dat de vernietigingsgrond nog onbekend is, doet hieraan niet af. Ook na verval blijft de mogelijkheid van het voeren van een exceptief verweer in stand, gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in art. 4:54 lid 2 BW naar art. 3:51 lid 3 BW.