Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/1.2
1.2 Afbakening
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599645:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Externe en interne kennis zijn centrale begrippen in bijv. Tjittes 2001b, Valk 2012 en Thirij 2016.
Zie Tjittes 2001b, Valk 2012 en Thirij 2016; HR 11 november 2005, NJ 2007/231.
Een dergelijke organisatie kan groter zijn dan één rechtspersoon, maar ook kleiner. Denk aan alle verschillende organisaties die onder de rechtspersoon Staat der Nederlanden vallen. Het betreft vanzelfsprekend een heel ander begrip dan de ‘organisatie’ die volgens het wetvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (34491) verbonden kan zijn aan een rechtspersoon (voorgesteld art. 2:9 lid 3 BW).
Dit is het geval in het Duitse recht. Zie BGH 24 januari 1992, NJW 1992, 1099 (Knollenmergel): de kennis van de afdeling van een gemeente die bouwvergunningen verleent, wordt niet aan de gemeente toegerekend wanneer zij grond verkoopt. Indien de wederpartij een natuurlijke persoon als verkoper tegenover zich had gehad, zou die ook niet de specifieke kennis hebben gehad waarover de gemeente uit hoofde van haar publiekrechtelijke taak beschikt. Zie ook BGH 17 april 2012, NJW 2012, 2644: indien de dienst die uitkeringen verzorgt, kennis krijgt van omstandigheden die aanleiding geven tot regres van de dienst op een derde, bijvoorbeeld degene die de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde heeft veroorzaakt, gaat de verjaringstermijn van de regresaanspraak nog niet lopen. Dat gebeurt pas op het moment dat de ambtenaar van de dienst die belast is met het voorbereiden en te gelde maken van regresaanspraken kennis van die omstandigheden krijgt. Deze regel is gegrond op de eerbiediging van de bevoegdheidsverdeling tussen ambtelijke diensten.
Gereguleerd door Verordening (EG) nr. 2157/2001 en de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap.
Vgl. Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/150 over de gelijksoortige wijze van toerekening van onrechtmatig handelen aan diverse typen organisaties.
Zie bijvoorbeeld art. 2:6 BW, art. 2:86 lid 3 BW en 2:98a lid 1 BW.
9. Een zo breed onderwerp vraag om afbakening.
De eerste afbakening ligt besloten in de hoofdvraag: ik onderzoek alleen kennis die ‘binnen de rechtspersoon’ aanwezig is, zoals kennis van organen of werknemers van de rechtspersoon. Dit wordt wel interne kennis genoemd.1 Externe kennis is kennis van personen die buiten de rechtspersoon staan, zoals externe adviseurs. Een tussencategorie vormen personen die geen werknemer zijn, maar die op basis van een overeenkomst van opdracht worden ingehuurd (denk aan uitzendkrachten en interim-zzp’ers). Wanneer die personen werkzaamheden verrichten die eigen zijn aan de activiteiten van de rechtspersoon, beschouw ik hen als functionarissen van de rechtspersoon. Hun kennis is dan in beginsel interne kennis. In rechtspraak en literatuur wordt veelal aangenomen dat interne kennis niet aan de hand van hetzelfde beoordelingskader behoort te worden toegerekend als externe kennis.2 De problematiek die ik hiervoor schetste en die mij in het bijzonder interesseert, zoals de vraag in hoeverre de kennis van verschillende functionarissen mag worden ‘opgeteld’ en of kennis die een functionaris in een andere hoedanigheid draagt, ook geldt als kennis van de rechtspersoon, speelt voornamelijk binnen de organisatie van de rechtspersoon. Door de toerekening van externe kennis als onderzoeksonderwerp uit te sluiten, sluit ik ook onderzoek uit naar het nut van een onderscheid tussen interne en externe kennis. Daarvoor zou ik immers eerst moeten onderzoeken hoe de toerekening van externe kennis plaatsvindt en zou ik daarover een standpunt moeten bepalen.
10. De tweede afbakening vloeit hieruit voort. Ook de toerekening van kennis van de ene concernvennootschap aan de andere valt – tot mijn spijt – buiten deze studie. Vragen op dit gebied doen zich in de praktijk veelvuldig voor. In de loop van het onderzoek is mij gebleken dat het onmogelijk is om in een enkel hoofdstuk op dergelijke vragen een bevredigend antwoord te geven. Concernvennootschappen zijn afzonderlijke rechtssubjecten. De ene concernvennootschap is in beginsel niet aansprakelijk voor de schulden van de andere concernvennootschap. De kennis van een andere vennootschap binnen het concern is daarom in beginsel externe kennis. Bij de toerekening van kennis is veelal van belang hoe de opslag en doorgifte van informatie is georganiseerd. Een dergelijke organisatie valt niet altijd samen met de indeling van een concern in verschillende vennootschappen. Tot op zekere hoogte delen concernvennootschappen vaak databases, hebben zij toegang tot hetzelfde intraweb, voeren zij een gezamenlijke administratie en inkoop en beschouwen hun medewerkers elkaar als collega’s. Wellicht moet in sommige omstandigheden de bij andere concernvennootschappen aanwezige kennis gelden als interne kennis. Waar de rechtspersoon het subject is van aansprakelijkheid, is het subject van kennis misschien wel eerder ‘de organisatie’ dan de rechtspersoon.3 Dit alles brengt mee dat, om een coherente visie te ontwikkelen op de toerekening van kennis binnen concerns, zowel een goed uitgewerkte theorie nodig is op het gebied van interne kennis als op het gebied van externe kennis. Onderzocht moet daarnaast worden onder welke voorwaarden een andere vennootschap binnen een concern geldt als ‘eigen’ of als ‘vreemd’. Dat is genoeg stof voor een heel proefschrift, of zelfs meerdere.
11. De beperking van het onderzoek tot rechtspersonen is hiervoor al toegelicht: bij de toerekening van kennis aan rechtspersonen rijzen interessante vragen die bij natuurlijke personen niet of veel minder aan de orde zijn. Toerekening van kennis aan natuurlijke personen is bovendien per definitie toerekening van externe kennis.
12. Een volgende beperking betreft het type rechtspersoon. Ten eerste richt ik mij op privaatrechtelijke rechtspersonen. De bijzondere taken en wijze van organisatie van publiekrechtelijke rechtspersonen brengen mogelijk mee dat toerekening geschiedt aan de hand van andere maatstaven of met inachtneming van andere omstandigheden.4 Onderhavig onderzoek is gericht op de private sector. Dat betekent dat ook specifieke kenmerken van privaatrechtelijke rechtspersonen die een publieke taak uitoefenen, zoals De Nederlandsche Bank NV en de stichting Autoriteit Financiële Markten, buiten beschouwing blijven. Wel zal jurisprudentie de revue passeren waarin kennis van een publiekrechtelijke rechtspersoon een rol speelt. Ik sluit ook niet uit dat een deel van de conclusies van dit onderzoek toepasbaar zal zijn op rechtspersonen in de publieke sector. Verder besteed ik geen aandacht aan de Europese vennootschap (Societas Europaea).5 De nieuwe rechtspersonen die werden voorzien in het wetsvoorstel personenvennootschappen blijven onbehandeld, omdat dit wetsvoorstel is ingetrokken. De maatschap, de commanditaire vennootschap en de vennootschap onder firma hebben geen rechtspersoonlijkheid. Toerekening van kennis aan dit type organisaties zal ik evenmin behandelen, ook al sluit ik niet uit dat mijn conclusies daarop analoog zullen kunnen worden toegepast.6 Datzelfde geldt voor de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.
13. Verder is deze studie beperkt tot het goederen- en verbintenissenrecht, inclusief het faillissementsrecht. Burgerlijk procesrecht zal ook hier en daar aan de orde komen. Ondanks de centrale rol van de rechtspersoon in dit onderzoek, is het niet primair ondernemingsrechtelijk van aard. De focus ligt op de verhouding tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij – welke wederpartij uiteraard ook een rechtspersoon kan zijn. De verhouding tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij is overigens ook vaak onderwerp van wetsbepalingen in boek 2 BW.7 De verhouding tussen de diverse organen van en belanghebbenden bij de rechtspersoon komt echter op enkele plaatsen wel aan bod, in het bijzonder in hoofdstuk 8 (kennis van organen) en hoofdstuk 11 (hoedanigheid).
14. Tot slot vallen kwesties van internationaal privaatrecht buiten dit onderzoek, zoals de vraag in welke verwijzingscategorie de toerekening van kennis valt (internationaal rechtspersonenrecht? vertegenwoordiging? de verwijzingscategorie die hoort bij de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij?). Die kwesties hebben weinig inhoudelijke samenhang met de materieelrechtelijke regels die ik tracht te ontwikkelen voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen.