T&C PFR, commentaar op art. 6.1.10 Jw:Gesloten jeugdhulp; horen belanghebbenden en afweging van mogelijkheid familiegroepsplan
T&C PFR, commentaar op art. 6.1.10 Jw
Gesloten jeugdhulp; horen belanghebbenden en afweging van mogelijkheid familiegroepsplan
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
P. Vlaardingerbroek/Redactie, actueel t/m 01-03-2026
Actueel t/m
01-03-2026
Tijdvak
01-01-2015 tot: -
Auteur
P. Vlaardingerbroek/Redactie
Vindplaats
T&C PFR, commentaar op art. 6.1.10 Jw
Vakgebied(en)
Corona (V)
Sociale zekerheid kinderen en jongeren / Jeugdzorg
Op de procedure tot het verkrijgen van een machtiging is, als gevolg van het opnemen van de woorden ‘op verzoek’ in art. 6.1.2 en 6.1.3, de verzoekschriftprocedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing, waaronder de speciale procedure van afd. 1titel 6Boek 3 Rv. Het onderhavige artikel bevat aanvullingen op die regeling, die recht doen aan de ingrijpendheid van de maatregel. Zo wordt aan de rechter in beginsel niet de vrijheid gelaten de jeugdige niet te horen. Lid 1 vereist dat de rechter de jeugdige en de indiener van het verzoek (dat kan zijn het college, de Raad voor de Kinderbescherming, de officier van justitie of de gecertificeerde instelling) hoort. Van het horen kan slechts worden afgezien als de rechter vaststelt dat de persoon niet bereid is zich te laten horen. Voor de spoedeisende gevallen wordt echter een uitzondering gemaakt en daartoe is art. 800 lid 3Boek 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor kan een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen echter wel hun kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
2. Speciale bepalingen inzake de hoorplicht door de rechter ten tijde van de coronacrisis
Op grond van art. 3 van de Tijdelijke Wet Covid-19 Justitie en Veiligheid van 22 april 2020, Stb. 124 (geldend vanaf 16 maart) is bepaald dat beschikkingen in zaken van verlenging van een ondertoezichtstelling en van verlenging van de machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, om een minderjarige uit huis te plaatsen niet zijnde een machtiging als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, aanstonds kunnen worden gegeven, indien mondelinge behandeling — ook met toepassing van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel — onmogelijk blijkt. Een verlenging is in dat geval mogelijk voor de duur van maximaal drie maanden.
Horen door de rechter is verplicht
Voor beslissingen door de rechter inzake gesloten jeugdhulp geldt dat de rechter belanghebbenden in beginsel moet horen alvorens een beslissing te nemen (art. 6.1.10 lid 1 Jeugdwet), tenzij het een spoedmachtiging betreft. Zonder wettelijke basis is een mondelinge behandeling in dit soort zaken vereist in alle gevallen dat belanghebbenden hiervan niet afzien (artikel 800, eerste lid, Rv). Zie ook Gerechtshof Den Haag 12 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3101. Art. 3 van de Tijdelijke Wet Covid-19 JenV bevat geen specifieke bepalingen ten aanzien van beslissingen tot (verlenging van) gesloten jeugdhulp. In de memorie van toelichting wordt echter opgemerkt dat voor een verlenging van een machtiging gesloten jeugdzorg het niet mogelijk is af te zien van een mondelinge behandeling, nu deze maatregel een vrijheidsbeneming van de betrokken minderjarige omvat. Wel biedt de Tijdelijke Wet Covid-19 JenV de mogelijkheid om geen fysieke zitting te laten plaatsvinden en het horen langs elektronische weg/door middel van een elektronisch communicatiemiddel.
Horen zonder fysieke zitting
Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, vinden er gedurende het heersen van het coronavirus geen fysieke zittingen plaats. Echter, de belanghebbenden dienen uiteraard wel in de gelegenheid te worden gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden. Dat mag dan vanwege de noodsituatie via de telefoon of langs elektronische weg (beeldbellen, Skype). De kinderrechter hoort dan, in aanwezigheid van de griffier, gelijktijdig telefonisch de belanghebbenden, zoals de betrokken jeugdige en diens advocaat, de ouder(s), de vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en/of de gecertificeerde instelling of andere verzoekers, bijv. de vertegenwoordiger van het college van B&W. In het kader van de gesloten jeugdhulp kan de kinderrechter ook de jeugdige en diens advocaat voor de telefonische zitting met alle belanghebbenden plaats laten vinden. Overigens is het wel belangrijk dat de kinderrechter deze manier van horen — gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden — in deze zaak voldoende acht om tot een goed oordeel te komen en daarom een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling. Ook zal de rechter moeten verifiëren of hij de belanghebbenden daadwerkelijk hoort.
Deze Tijdelijke Wet Covid-19 JenV van 22 april 2020 (Stb. 2020, 124) gold zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Deze tijdelijke regeling is vervallen op 1 september 2023 (Stb. 2020, 124).
3. Afweging van mogelijkheid familiegroepsplan bij gesloten jeugdzorg (lid 2)
Bij amendement van de Kamerleden Voordewind en Ypma werd in het oorspronkelijke art. 6.1.10 het tweede lid ingevoegd (Kamerstukken II 2013/14, 33684, 40). Dit amendement beoogt ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en te helpen aan een oplossing. Door vormen van hulp van betrokkenen en steun uit directe kring kan bovendien uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg bevorderd. Als voorbeeld dient de zogenaamde Eigen Kracht-conferentie, waarbij het familie- en vriendennetwerk onder leiding van een onafhankelijk coördinator zelf een plan opstelt en uitvoert. Daarmee komt de regie bij de burger te liggen, waaruit tevens is gebleken dat de eigenaar van het probleem, samen met eigen mensen, ook de sleutel voor de oplossing in handen heeft. Daarbij kan de kennis en bijstand van jeugdzorgprofessionals worden ingeroepen, aldus de indieners van het amendement.
Het familiegroepsplan (lid 2)
Lid 2 bepaalt dat — wanneer het een machtiging gesloten jeugdhulp of een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp betreft — de kinderrechter het cliëntsysteem de kans biedt voor het opstellen van een familiegroepsplan. Indien er een familiegroepsplan wordt opgesteld geldt dit als hulpverleningsplan. Het Hof Amsterdam 6 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2015:4158 was van oordeel dat, gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige in kwestie en mede daarbij in aanmerking nemende de beperkte tijd die nog voor plaatsing en behandeling resteert, het niet in het belang was van de minderjarige om de mogelijkheid te bieden aan het netwerk van (de minderjarige) om een dergelijk plan op te stellen. De kinderrechter heeft dan ook, gelet op de bedoelde bedreigingen in de ontwikkeling van (de minderjarige), op goede gronden afgezien van het bieden van deze mogelijkheid. Zie voor het familiegroepsplan bij de website van de Eigen Kracht Conferentie (https://www.eigen-kracht.nl/).
4. Ambtshalve toevoeging raadsman (lid 4)
Evenals in art. 29f WJZ wordt in art. 6.1.10 lid 4 Jeugdwet — met het oog op de ingrijpendheid van de beslissing — de plicht opgelegd tot ambtshalve toevoeging van een raadsman aan de jeugdige, wat overigens niet betekent dat de jeugdige daarna niet zelf nog een andere advocaat kan uitkiezen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C PFR, commentaar op art. 6.1.10 Jw
Gesloten jeugdhulp; horen belanghebbenden en afweging van mogelijkheid familiegroepsplan
P. Vlaardingerbroek/Redactie, actueel t/m 01-03-2026
01-03-2026
01-01-2015 tot: -
P. Vlaardingerbroek/Redactie
T&C PFR, commentaar op art. 6.1.10 Jw
Corona (V)
Sociale zekerheid kinderen en jongeren / Jeugdzorg
Jeugdbeleid / Algemeen
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
Bijzonder strafrecht / Jeugdstrafrecht
corona
Jeugdwet artikel 6.1.10
1. Algemeen
Op de procedure tot het verkrijgen van een machtiging is, als gevolg van het opnemen van de woorden ‘op verzoek’ in art. 6.1.2 en 6.1.3, de verzoekschriftprocedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing, waaronder de speciale procedure van afd. 1titel 6Boek 3 Rv. Het onderhavige artikel bevat aanvullingen op die regeling, die recht doen aan de ingrijpendheid van de maatregel. Zo wordt aan de rechter in beginsel niet de vrijheid gelaten de jeugdige niet te horen. Lid 1 vereist dat de rechter de jeugdige en de indiener van het verzoek (dat kan zijn het college, de Raad voor de Kinderbescherming, de officier van justitie of de gecertificeerde instelling) hoort. Van het horen kan slechts worden afgezien als de rechter vaststelt dat de persoon niet bereid is zich te laten horen. Voor de spoedeisende gevallen wordt echter een uitzondering gemaakt en daartoe is art. 800 lid 3Boek 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor kan een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen echter wel hun kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
2. Speciale bepalingen inzake de hoorplicht door de rechter ten tijde van de coronacrisis
Op grond van art. 3 van de Tijdelijke Wet Covid-19 Justitie en Veiligheid van 22 april 2020, Stb. 124 (geldend vanaf 16 maart) is bepaald dat beschikkingen in zaken van verlenging van een ondertoezichtstelling en van verlenging van de machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, om een minderjarige uit huis te plaatsen niet zijnde een machtiging als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, aanstonds kunnen worden gegeven, indien mondelinge behandeling — ook met toepassing van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel — onmogelijk blijkt. Een verlenging is in dat geval mogelijk voor de duur van maximaal drie maanden.
Horen door de rechter is verplicht
Voor beslissingen door de rechter inzake gesloten jeugdhulp geldt dat de rechter belanghebbenden in beginsel moet horen alvorens een beslissing te nemen (art. 6.1.10 lid 1 Jeugdwet), tenzij het een spoedmachtiging betreft. Zonder wettelijke basis is een mondelinge behandeling in dit soort zaken vereist in alle gevallen dat belanghebbenden hiervan niet afzien (artikel 800, eerste lid, Rv). Zie ook Gerechtshof Den Haag 12 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3101. Art. 3 van de Tijdelijke Wet Covid-19 JenV bevat geen specifieke bepalingen ten aanzien van beslissingen tot (verlenging van) gesloten jeugdhulp. In de memorie van toelichting wordt echter opgemerkt dat voor een verlenging van een machtiging gesloten jeugdzorg het niet mogelijk is af te zien van een mondelinge behandeling, nu deze maatregel een vrijheidsbeneming van de betrokken minderjarige omvat. Wel biedt de Tijdelijke Wet Covid-19 JenV de mogelijkheid om geen fysieke zitting te laten plaatsvinden en het horen langs elektronische weg/door middel van een elektronisch communicatiemiddel.
Horen zonder fysieke zitting
Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, vinden er gedurende het heersen van het coronavirus geen fysieke zittingen plaats. Echter, de belanghebbenden dienen uiteraard wel in de gelegenheid te worden gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden. Dat mag dan vanwege de noodsituatie via de telefoon of langs elektronische weg (beeldbellen, Skype). De kinderrechter hoort dan, in aanwezigheid van de griffier, gelijktijdig telefonisch de belanghebbenden, zoals de betrokken jeugdige en diens advocaat, de ouder(s), de vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en/of de gecertificeerde instelling of andere verzoekers, bijv. de vertegenwoordiger van het college van B&W. In het kader van de gesloten jeugdhulp kan de kinderrechter ook de jeugdige en diens advocaat voor de telefonische zitting met alle belanghebbenden plaats laten vinden. Overigens is het wel belangrijk dat de kinderrechter deze manier van horen — gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden — in deze zaak voldoende acht om tot een goed oordeel te komen en daarom een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling. Ook zal de rechter moeten verifiëren of hij de belanghebbenden daadwerkelijk hoort.
Deze Tijdelijke Wet Covid-19 JenV van 22 april 2020 (Stb. 2020, 124) gold zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Deze tijdelijke regeling is vervallen op 1 september 2023 (Stb. 2020, 124).
3. Afweging van mogelijkheid familiegroepsplan bij gesloten jeugdzorg (lid 2)
Bij amendement van de Kamerleden Voordewind en Ypma werd in het oorspronkelijke art. 6.1.10 het tweede lid ingevoegd (Kamerstukken II 2013/14, 33684, 40). Dit amendement beoogt ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en te helpen aan een oplossing. Door vormen van hulp van betrokkenen en steun uit directe kring kan bovendien uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg bevorderd. Als voorbeeld dient de zogenaamde Eigen Kracht-conferentie, waarbij het familie- en vriendennetwerk onder leiding van een onafhankelijk coördinator zelf een plan opstelt en uitvoert. Daarmee komt de regie bij de burger te liggen, waaruit tevens is gebleken dat de eigenaar van het probleem, samen met eigen mensen, ook de sleutel voor de oplossing in handen heeft. Daarbij kan de kennis en bijstand van jeugdzorgprofessionals worden ingeroepen, aldus de indieners van het amendement.
Het familiegroepsplan (lid 2)
Lid 2 bepaalt dat — wanneer het een machtiging gesloten jeugdhulp of een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp betreft — de kinderrechter het cliëntsysteem de kans biedt voor het opstellen van een familiegroepsplan. Indien er een familiegroepsplan wordt opgesteld geldt dit als hulpverleningsplan. Het Hof Amsterdam 6 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2015:4158 was van oordeel dat, gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige in kwestie en mede daarbij in aanmerking nemende de beperkte tijd die nog voor plaatsing en behandeling resteert, het niet in het belang was van de minderjarige om de mogelijkheid te bieden aan het netwerk van (de minderjarige) om een dergelijk plan op te stellen. De kinderrechter heeft dan ook, gelet op de bedoelde bedreigingen in de ontwikkeling van (de minderjarige), op goede gronden afgezien van het bieden van deze mogelijkheid. Zie voor het familiegroepsplan bij de website van de Eigen Kracht Conferentie (https://www.eigen-kracht.nl/).
4. Ambtshalve toevoeging raadsman (lid 4)
Evenals in art. 29f WJZ wordt in art. 6.1.10 lid 4 Jeugdwet — met het oog op de ingrijpendheid van de beslissing — de plicht opgelegd tot ambtshalve toevoeging van een raadsman aan de jeugdige, wat overigens niet betekent dat de jeugdige daarna niet zelf nog een andere advocaat kan uitkiezen.