Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.3.3.1
I.2.3.3.1 Omzetbelasting
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495303:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit moet worden onderscheiden van, bijvoorbeeld, loonbelasting, die werkgevers voor hun werknemers afdragen. Zie nader M.M. de Werd, in: Cursus BelastingrechtFBR.1.3.1.C (online, laatst bijgewerkt op 14 juni 2015).
Bv. Van Hilten & Van Kesteren 2014, p. 53.
HvJ 20 oktober 1993, zaak C-10/92, Jur. 1993, p. I-5105, r.o. 25 (Balocchi); HvJ 21 februari 2008, zaak C-271/06, V-N 2008/11.16, r.o. 21 (Netto Supermarkt).
Zie over het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen L.W.D. Wijtvliet, ‘Direct versus indirect: een diffuse dichotomie. Een verkenning van de betekenis en invulling van het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen’, MBB 2014/10.
In geval van wanbetaling door afnemers krijgt een ondernemer op grond van artikel 29, lid 1, Wet OB 1968 enkel het deel van de belasting terug dat evenredig is aan het deel van de totale vergoeding (inclusief omzetbelasting) dat een afnemer niet heeft betaald.
Zie ook de openbare les van A.E. de Moor van 5 maart 1970, getiteld ‘Het mysterie van de prijsstijging’, opgenomen op de CD-ROM bij L.J.A. Pieterse, Fiscale oraties en afscheidsredes, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011.
Zie ook A-G Jacobs, conclusie bij: HvJ 29 februari 1996, zaak C-215/94, BNB 1997/32 (concl. A-G Jacobs; Mohr; m.nt. M.E. van Hilten): ‘27. De draagwijdte van de belasting wordt niettemin beperkt door haar karakter van verbruiksbelasting. (…)’.
In lijn hiermee is in artikel 29, lid 1, Wet OB 1968 (artikel 90 Btw-richtlijn) bepaald dat een ondernemer reeds voldane omzetbelasting terugkrijgt als zijn afnemer niet heeft betaalt e niet zal betalen.
Zie ook K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de btw (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2002, p. 51.
Bij een belasting over omzet ligt het voor de hand dat ondernemingen de belastingplichtigen (behoren te) zijn. ‘Omzet’ drukt over het algemeen immers de verkoopwaarde uit van goederen en diensten in een bepaald tijdvak. Dat is typisch iets dat bij ondernemingen voorkomt. In overeenstemming met de constatering dat ondernemers het beoogde belastingsubject moeten zijn, bepaalt artikel 14 Wet OB 1968 dat zij omzetbelasting op aangifte moeten voldoen. Met ‘voldoen’ geeft de wetgever aan dat het om eigen belasting gaat, die ondernemingen voor zichzelf verschuldigd zijn.1
In de literatuur is niettemin de stelling te vinden dat ondernemingen onbezoldigd voor de staat de belasting innen van eindverbruikers, die op hun beurt de eigenlijke belastingsubjecten zijn.2 Ook in de jurisprudentie van het Hof van Justitie is dit terug te vinden.3 Deze stelling steunt op de gedachte dat ondernemingen de last van de belasting volledig zouden moeten afwentelen op de eindverbruikers en dat de belasting zodoende een indirecte verbruiksbelasting is.4 Hoewel inderdaad aanwijzingen bestaan dat afwenteling is beoogd, valt te betwijfelen of de gevolgtrekking dat eindverbruikers de beoogde belastingsubjecten zijn, helemaal juist is. In elk geval is niet beoogd dat ondernemingen tegenover de fiscus de verplichting tot het voldoen van omzetbelasting ter discussie kunnen stellen wanneer hun afnemer de in de prijs van een goed of dienst begrepen belasting niet betaalt.5 Dat duidt volgens mij het meest op een belasting van ondernemingen. Dit neemt overigens niet weg dat de belasting uiteindelijk deels of geheel ten laste van eindverbruikers kan komen als gevolg van hogere prijzen.6
Dat de omzetbelasting een omzetbelasting en tegelijk een (algemene) verbruiksbelasting is, impliceert dat de te belasten omzet beperkt behoort te zijn tot de omzet die (in Nederland) tot verbruik leidt.7De te belasten omzet is daarom het bedrag dat ondernemingen gezamenlijk – als groep – van eindverbruikers ontvangen voor de door hen voortgebrachte goederen en diensten.8 Dat is, met andere woorden, de geconsolideerde omzet van het bedrijfsleven. De consolidatie wordt in de uitwerking van de belasting bereikt met de aftrek van voorbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is daarom zeer belangrijk in het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde conform de Btw-richtlijn. Dit zorgt ervoor dat geen belasting ‘drukt’ op goederen en diensten die de eindverbruiker nog niet hebben bereikt of niet zullen bereiken (zie nader par. 3.3).9