De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.4.2:6.4.2 Tussenconclusie
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.4.2
6.4.2 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS384348:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Kilian 2013, Kreße 2013 en Ruppert 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Duitse wetgever zag zich in 2013, vanwege het sterk toenemende gebruik van buitenlandse vennootschappen door met name beroepsbeoefenaren, genoodzaakt de strijd aan te gaan met de Britten (en Amerikanen) en een rechtsvorm ‘op maat’ te introduceren voor beroepsbeoefenaren. De introductie van de PartG mbB, een rechtsvorm die fiscale transparantie en een flexibele organisatiestructuur combineert met beperkte(re) aansprakelijkheid, moest de tendens van het gebruik van met name de Britse LLP door Duitse beroepsbeoefenaren een halt toe roepen. De belangrijkste wijziging ten opzichte van de reeds bestaande PartG (de PartG mbB is geen nieuwe rechtsvorm maar een variant op de PartG) was een uitbreiding van de beperking van de aansprakelijkheid van de vennoten.
De PartG is een rechtsvorm die (qua karakter en interne structuur) sterk lijkt op de Nederlandse openbare maatschap. Het is een personenvennootschap die specifiek (en expliciet!) bedoeld is voor beroepsbeoefenaren en die, vanwege haar aard (overeenkomst) en het recht dat van toepassing is, uiterst flexibel in te richten is. Bovendien is zij fiscaal transparant.
Anders dan bij de openbare maatschap bepaalt de wet voor de PartG specifiek wie deze rechtsvorm mogen gebruiken. Allereerst kunnen dit slechts natuurlijke personen zijn. De wet bevat voorts een lijst van beroepsgroepen die tot het gebruik van de PartG gerechtigd zijn. Anders ook dan bij de openbare maatschap dient het aangaan van de PartG aan een aantal vormvereisten te voldoen. Een belangrijk verschil tussen PartG en de openbare maatschap bestaat daarnaast in de aansprakelijkheid van de vennoten. De vennoten van een PartG zijn namelijk – in tegenstelling tot de maten van de openbare maatschap – in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap. Het PartGG bevat wel een belangrijke uitzondering op deze hoofdregel die, kort gezegd, inhoudt dat in beginsel slechts de vennoot die betrokken is bij de uitvoering van een overeenkomst van opdracht persoonlijk aansprakelijk is voor de bij de uitvoering van deze opdracht gemaakte beroepsfouten. Dit betekent dat de vennoten niet (persoonlijk) voor elkaars beroepsfouten aansprakelijk zijn. Deze regeling doet sterk denken aan de disculpatiemogelijkheid die artikel 7:813 uit het ingetrokken Wetsvoorstel titel 7.13 BW met zich meebracht. De personenvennootschap blijft uiteraard wel aansprakelijk. Omdat deze vorm van aansprakelijkheidsbeperking volgens velen (nog) niet voldoende was en, vanwege de formulering van de regel, ook onduidelijkheden met zich meebracht, is getracht om nog beter aan de wensen van beroepsbeoefenaren tegemoet te komen met een nieuwe variant van de PartG: de PartG mbB.
Met de invoering van de PartG mbB werd de beperking van de aansprakelijkheid uitgebreid. De aansprakelijkheid werd in geval van alle beroepsfouten beperkt en deze beperkte aansprakelijkheid wordt gecompenseerd met een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Voor de PartG mbB geldt dus dat in geval van een beroepsfout uitsluitend het gemeenschappelijk vermogen van de personenvennootschap aansprakelijk is en de vennoten hiervoor niet persoonlijk aansprakelijk zijn.
Voor de overige verbintenissen van de vennootschap alsmede voor eigen onrechtmatige daden (die niet aan de PartG kunnen worden toegerekend) blijven de vennoten wel aansprakelijk.
Cruciaal bij het denken over de PartG mbB is dus dat de beoogde beperking van de aansprakelijkheid haar grenzen kent. Het bestaan van de PartG mbB is immers afhankelijk van het bestaan van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Deze benadering vergt daarmee een nauwgezette administratie. De uitsluiting van de aansprakelijkheid geldt namelijk pas vanaf het moment dat de PartG mbB daadwerkelijk een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten en vervalt zodra de verzekering eindigt of niet meer aan de gestelde vereisten voldoet.
Een belangrijk verschil ten opzichte van de hiervoor besproken Amerikaanse en Britse rechtsvormen, is dat de PartG mbB geen nieuwe rechtsvorm is; de PartG mbB is ‘slechts’ een variant van de PartG. Dit lijkt aantrekkelijk omdat een dergelijke variant van aansprakelijkheidsbeperking wellicht minder impact heeft dan de invoering van een nieuwe rechtsvorm.
De (effectieve) beperking van de aansprakelijkheid die de PartG mbB biedt, doet overigens sterk denken aan het partial shield dat oorspronkelijk voor de Amerikaanse LLP gold. Zoals besproken, werd in de VS deze partiële bescherming als ontoereikend ervaren, als gevolg waarvan het voormelde partial shield is ontwikkeld naar een full shield. Tegen die achtergrond bestaat er bij sommigen twijfel of de invoering van de PartG mbB voldoende is om de in Duitsland zichtbare trend naar (het gebruik van) de LLC (die wel een full shield biedt) het hoofd te bieden.1