Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.8.2.3.3:III.8.2.3.3 Rechtvaardiging voor afwijkingen
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.8.2.3.3
III.8.2.3.3 Rechtvaardiging voor afwijkingen
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS497799:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Maar dat zou evengoed gelden voor het volledig toestaan van aftrek van voorbelasting.
Kamerstukken II 1967/68, 9 324, 9 410, nr. 6 (MvA), p. 13. Zie ook: Kamerstukken II 1967/68, 9 324, nr. 3 (MvT), p. 16 rk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is opgemerkt dat het vrijstellen van financiële diensten mogelijk het minst slechte wetgevingsalternatief is als ook rekening wordt gehouden met uitvoerbaarheid en eenvoud (zie par. 8.2.2.3). De vraag is echter of het ook noodzakelijk en wenselijk is dat een vrijstelling steeds het ontbreken van recht op aftrek van voorbelasting tot gevolg heeft. Verdedigbaar is dat dit de uitvoerbaarheid en de eenvoud ten goede komt.1 Voor zover diensten van, bijvoorbeeld, banken aan consumenten of ondernemers zonder recht op aftrek van voorbelasting ten goede komen, lijkt verder ook niet onredelijk dat de bank geen voorbelasting mag aftrekken. Via die weg ‘drukt’ dan indirect alsnog enige omzetbelasting op het verbruik dat de bank mogelijk maakt. Anders ligt het als diensten van een financier ten goede komen aan een ondernemer die volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft. Dan leidt de beperking van het recht op aftrek van voorbelasting tot heffing over non-verbruik en cumulatie van belasting. In de parlementaire geschiedenis van de Wet OB 1968 is van de zijde van de regering opgemerkt dat voor alle prestaties die conform artikel 11 Wet OB 1968 zijn vrijgesteld, geldt dat zij doorgaans ‘een naar verhouding zodanig geringe voordruk ondervinden dat deze in de bedrijfssfeer doorgaans van geen of ondergeschikte betekenis is.’2 Deze stelling is niet onderbouwd. Als de stelling echter eind jaren zestig van de vorige eeuw al waar was, lijkt mij bepaald niet evident dat zij dat tegenwoordig nog steeds is. Ik meen uit de jurisprudentie te mogen opmaken, en in de praktijk te ervaren, dat niet-aftrekbaarheid van voorbelasting bij vrijgestelde financiële diensten, en financieringen in het bijzonder, wel degelijk van betekenis is. De vraag rijst daarom of alternatieven bestaan die ertoe leiden dat vaker aftrek van voorbelasting wordt toegestaan in de context van economische financieringen aan ondernemingen. Dat zou ervoor zorgen dat de concrete uitwerking van de belasting beter in overeenstemming komt met de strekking van de belasting. Van belang is wel dat alternatieven geen afbreuk doen aan de rechtsgelijkheid, rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en eenvoud. Op mogelijke alternatieven wordt nader ingegaan in hoofdstuk 9 (zie par. 9.3.2, 9.3.3, 9.4.6, 9.4.7 en 9.4.8).