Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.4.3
10.4.3 Aansprakelijkheid van de vennoten op grond van art. 18 WvK
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383427:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Hof ’s-Gravenhage 11 juni 1992, V-N (2877) 1992/24, r.o. 5.1.2 en Hof ’s-Gravenhage 17 augustus 1992, V-N (3920) 1992/24, r.o. 5.2. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7840, hersteld in HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4601.
Zie ook Mathey-Bal 2011.
Asser/Maeijer 5-V 1995/147. Een dergelijke (wettelijke) regresmogelijkheid ontbreekt vaak in niet-vennootschappelijke verhoudingen, zie Bröring & De Valk 2011.
HR 2 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2733, r.o. 3.4-3.5, JOR 2002/3. Zie ook Vetter, Wattel & Van Oers 2009, p. 34.
Overeenkomstig hetgeen de CRvB heeft bepaald ten aanzien van boetes op grond van de Wet aanscherping en handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754.
HR 28 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:685, waarin het ging om het opleggen van een boete en niet om het innen van een al opgelegde boete. In ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:665 had het bestuursorgaan volgens de Afdeling onvoldoende gematigd.
NB: in HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9557 werd toegelaten dat een bestuursorgaan het faillissement aanvroeg van zijn schuldenaar die de kosten van een herstelsanctie niet kon voldoen.
‘Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt.’
Rb. Oost-Brabant 15 augustus 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4975, waarin een boete werd opgelegd aan een eenmanszaak en een aan een VOF, voor de schulden waarvan dezelfde persoon aansprakelijk was. Deze uitspraak is deels vernietigd door ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:665, maar dat betrof een ander punt.
Rb. Oost-Brabant 15 augustus 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4975. Deze uitspraak is deels vernietigd door ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:665, omdat er onvoldoende rekening was gehouden met de draagkracht van de aansprakelijke persoon.
Op grond van art. 18 WvK zijn alle vennoten hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de VOF. Er wordt geen uitzondering gemaakt voor uit het bestuursrecht voortspruitende verbintenissen zoals bestuurlijke boetes en belastingschulden. Men kan zich niettemin afvragen of een vennoot aansprakelijk mag worden gehouden voor niet aan hemzelf opgelegde punitieve sancties zoals de bestuurlijke boete. Strafrechtelijke sancties hebben immers een hoogstpersoonlijk karakter1 en bovendien geldt het beginsel ‘geen straf zonder schuld’.2 Hiertegenover kan men echter stellen dat vennoten ten opzichte van de VOF geen derden zijn (zoals bestuurders van een BV dat wel zijn ten opzichte van de BV), maar dat zij met de VOF vereenzelvigd kunnen worden.3 Ook is het aansprakelijk zijn voor een straf iets anders dan het moeten voelen van de straf (draagplicht); een ‘onschuldige’ vennoot die in verband met de boete wordt aangesproken, kan regres nemen op de ‘schuldige’ VOF die de boete moet dragen en op zijn medevennoten voor het deel dat hen volgens de onderlinge verhoudingen aangaat.4 De vennoot doet door het voldoen van de boete immers niet meer dan het voldoen van een vennootschapsschuld. Ik zie dan ook geen reden om aan te nemen dat art. 18 WvK ingeval van een bestraffende sanctie niet geldt. De Hoge Raad heeft in het kader van een art. 36 Invorderingswet 1990-aansprakelijkheid (hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders voor door de vennootschap verschuldigde belastingen) geoordeeld dat, ook al brengt hoofdelijke aansprakelijkheid mee dat de ontvanger vrij is in de keuze van wie hij tot betaling van de gehele schuld aanspreekt, hij daarbij wel gebonden is aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.5 In die zaak waren niet alle bestuurders gedagvaard. De Hoge Raad bepaalde daarop dat er in het kader van algemene beginselen van behoorlijk bestuur onderscheid gemaakt moet worden tussen de aansprakelijkstelling en de daarop volgende stappen. De ontvanger zal in principe iedere bestuurder aansprakelijk moeten stellen, maar mag zich bij daadwerkelijk verhaal laten leiden door uiteenlopende verhaalsmogelijkheden. Ik meen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich kunnen brengen dat het bestuursorgaan overeenkomstig art. 5:46 BW moet overwegen of de boete in overeenstemming is met de mate van verwijtbaarheid6 en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Ook de draagkracht van de aangesproken vennoot kan een rol spelen.7
Ook als aan een VOF een herstelsanctie wordt opgelegd, is sprake van een verbintenis van de vennootschap. Er staat dan ook niets in de weg aan aansprakelijkstelling van een hoofdelijk aansprakelijke vennoot voor een verbeurde dwangsom of voor de kosten die gemaakt zijn in verband met de last onder bestuursdwang. Wel moeten belangen worden afgewogen en dient het evenredigheidsbeginsel in acht te worden genomen.8
Van belang is nog om op te merken dat het opleggen van een boete aan de VOF, waarvoor de vennoot hoofdelijk aansprakelijk is, én aan de vennoot zelf, niet in strijd is met art. 5:43 Awb,9 omdat de VOF en de vennoot niet dezelfde overtreders zijn.10 Wel kan bij de vraag of de opgelegde boetes evenredig zijn, rekening worden gehouden met de omstandigheid dat zowel aan een vennoot als aan zijn VOF een boete is opgelegd.11