Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.2.1.2
III.13.2.1.2 De intrekkingsbepalingen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380174:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 18 lid 1 sub b Vw 2000 is uitgezonderd. Vgl. art. 19 Vw 2000.
B1/6.2.1 Vc 2000.
Ook ambtshalve verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken op de in art. 18 lid 1 onder c Vw 2000 neergelegde grond. Dit is het geval wanneer de vreemdeling in het kader van de verlening de gelegenheid heeft gehad om te reageren op bepaalde, op hem betrekking hebbende informatie. Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 mei 2011, JV 2011/285.
Wanneer sprake is van een wijziging van de fiscale situatie met terugwerkende kracht, ten gevolge waarvan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet verleend had mogen worden, heeft dit niet tot gevolg dat de vreemdeling ten tijde van de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt. Vgl. Vz. Rechtbank Den Haag, zp. Haarlem 25 januari 2007, JV 2007/193. Wanneer zich na het nemen, maar voor het bekendmaken van een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning feiten voordoen die van invloed zijn op het al dan niet verlenen van de vergunning, kan deze niet worden ingetrokken op de grond dat informatie is achtergehouden. De datum van bekendmaking is in dat geval niet relevant. Vgl. ABRvS 6 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3748.
De persoon bij wie de vreemdeling verblijft moet bijvoorbeeld over voldoende middelen beschikken wanneer sprake is van gezinshereniging of familiebezoek. Zie hierover meer uitgebreid: Lodder 2014, p. 62 e.v.
B1/6.2.3. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een bijstandsuitkering
Lodder 2014, p. 69.
In art. 3.86 lid 11 Vb 2000 zijn voorts nog twee andere redenen neergelegd op basis waarvan tot intrekking kan worden overgaan wegens gevaar voor de openbare orde. Het betreft gevallen waarin de vreemdeling zelf of o.a. zijn echtgenoot/echtgenote zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in art. 1F van het Vluchtelingenverdrag. Intrekking vindt niet plaats in de gevallen genoemd in art. 3.86 lid 9 en 10 Vb 2000.
B1/6.2.2 jo B1/4.4 Vc 2000.
Een en ander is verder uitgewerkt in de artikelen 3.87a e.v. Vb 2000.
Art. 3.91b lid 1 aanhef en onder a Vb 2000.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2643. Hoewel in casu de vreemdeling en de referent nog wel samenwoonden, was geen sprake (meer) van een exclusieve relatie, nu de referent had aangegeven met iemand anders verder te willen.
Lodder 2014, p. 70. Zie voor enkele uitzonderingen de artt. 3.90 e.v. Vb 2000.
Zie over de WAV meer uitgebreid Lodder 2014, p. 51 e.v.
Stb. 2010, 290.
Vgl. art. 16 lid 1 sub k Vw 2000.
Lodder 2014, p. 65.
Zoals gezinshereniging of gezinsvorming. Zie Lodder 2014, p. 64.
Art. 3.91e Vb 2000. Zie voorts Kamerstukken II 2011/12, 33086, nr. 3, p. 22 en B7/3.8 Vc 2000.
Lodder 2014, p. 119.
B12/2.8 Vc 2000.
Vgl. B12/2.5 jo B1/6.2.1 Vc 2000.
Van Bennekom en Van der Winden 2011, p. 383.
C2/8.1 Vc 2000.
Een en ander vloeit voort uit de Richtlijn 2011/95/EU betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming. Deze richtlijn schrijft in dit geval intrekking namelijk imperatief voor. Zie Stb. 2008/116, p. 20-21.
Zie onder meer ABRvS 12 september 2007, JV 2007/476, ABRvS 7 juli 2010, JV 2010, 334 en ABRvS 21 oktober 2011, JV 2011/504 m.nt. Olivier. Een en ander lag genuanceerder in ABRvS 9 november 2009, JV 2010/7 waarin het feit dat reeds lang duidelijk was dat de vergunning was verleend op grond van onjuiste gegevens, maar dit voor de staatssecretaris meerdere malen geen aanleiding gaf tot intrekking over te gaan, leidde tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Zie C2/8.3 Vc 2000.
C2/8.3 Vc 2000, onder het kopje ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, jo B1/4.4 Vc 2000. Zie voorts Van Bennekom en Van der Winden 2011, p. 384.
C2/8.3 Vc 2000.
C2/8.3 Vc 2000. Zie voorts ABRvS 8 oktober 2010, JV 2010/462, waarin onder meer van belang werd geacht dat de vreemdeling ook na het misdrijf dat tot intrekking leidde, nog diverse malen was veroordeeld voor andere delicten.
Deze grond is nader uitgewerkt in art. 3.105f lid 2 Vb 2000 en in C2/8.3 Vc 2000. Kort gezegd komt deze uitwerking erop neer dat onderscheid wordt gemaakt naar de grond op basis waarvan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in art. 29 Vw 2000 is verleend. Per verleningsgrond worden aan de intrekking nadere eisen gesteld. Art. 29 lid 1 sub a Vw 2000 betreft de zogenaamde verdragsvluchteling. Sub b ziet op de situatie waarin gegronde vrees bestaat dat de vreemdeling bij uitzetting een reëel risico op onder meer foltering of onmenselijke of vernederende behandeling loopt. Zie hierover meer uitgebreid: Lodder 2014, p. 118 e.v. en Van Bennekom en Van der Winden 2011, p. 155-236. Op grond van art. 29 lid 2 Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan bepaalde gezinsleden van de vreemdeling.
Zie voor een voorbeeld ABRvS 2 mei 2011, JV 2011/306 m.nt. Olivier. Nu de algehele situatie in Burundi was gewijzigd, kwam het categoriale beschermingsbeleid ter zake van personen uit Burundi afkomstig te vervallen. Nu de vreemdeling niet op één van de andere gronden genoemd in art. 29 lid 1 Vw 2000 in aanmerking kwam voor een vergunning, werd de vergunning ingetrokken.
Ook in dit geval vloeit een en ander voort uit de Richtlijn 2011/83/EU betreffende normen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming. Ook in dit geval schrijft deze richtlijn intrekking imperatief voor.
C2/8.4 jo art. 3.37e Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Een en ander lijkt niet te stroken met de intrekkingsverplichting welke is neergelegd in art. 3.105f lid 1 Vb 2000. Op grond van het derde lid van art. 3.105f Vb 2000 kunnen echter bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 32 lid 1 aanhef en onder c Vw 2000. In art. 3.37e Voorschrift Vreemdelingen 2000 is bepaald dat bij deze beoordeling in aanmerking wordt genomen ‘of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen’. Vervolgens is bepaald: ‘De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voortvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.’ Wanneer de vreemdeling dus voornoemde dwingende redenen kan aanvoeren, wordt de rechtsgrond voor verlening geacht niet te hebben opgehouden te bestaan, waardoor de intrekkingsgrond van art. 32 lid 1 onder c Vw 2000 zich niet voordoet.
C2/8.5 jo B1/6.2.1 Vc 2000. Verplaatsing van het hoofdverblijf mag niet te lichtvaardig worden aangenomen. Vgl. ABRvS 21 september 2011, JV 2011/466.
C2/8.5 Vc 2000.
C2/8.5 Vc 2000.
Art. 3.106 Vb 2000.
Vereist is ook hier een causaal verband tussen de onjuiste of onvolledige gegevens en het verlenen van de vergunning. Zie Van Bennekom en Van der Winden 2011, p. 383.
ABRvS 25 september 2003, JV 2003/505.
ABRvS 21 december 2005, AB 2006/153 m.nt. Battjes en JV 2006/52, Rechtbank Den Haag zp. Roermond, 22 februari 2007, JNVR 2007/61 m.nt. DA en ABRvS 9 november 2009, JV 2010/7. Een expliciete verklaring van de minister, waaruit blijkt dat het verstrekken van onjuiste gegevens niet aan de vreemdeling zal worden tegengeworpen, kan wel vertrouwen wekken. Zie ABRvS 28 maart 2008, JV 2008/225.
Zie voor een voorbeeld ABRvS 9 juni 2004, JV 2004/505.
C5/4 Vc 2000.
C5/4 jo C2/8.5 Vc 2000.
C5/4 jo C2/8.3 Vc 2000.
Vgl. art. 45 lid 2 sub b jo lid 1 Vw 2000.
Zie Lodder 2014, p. 131. Zie voorts bijvoorbeeld ABRvS 23 januari 2013, JV 2013/99 en ABRvS 25 april 2013, JV 2013/255.
ABRvS 21 oktober 2011, JV 2011/504 m.nt. Olivier.
De intrekkingsbepalingen in de Vreemdelingenwet 2000 zijn gerelateerd aan het soort verblijfsvergunning. Art. 19 Vw 2000 bevat een intrekkingsregeling voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en art. 22 Vw 2000 ziet op de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde respectievelijk onbepaalde tijd is geregeld in de artikelen 32 en 35 Vw 2000. Deze bepalingen worden achtereenvolgens besproken.
Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
In art. 19 Vw 2000 is een intrekkingsregeling voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd opgenomen. Voor de gronden voor intrekking wordt verwezen naar art. 18 lid 1 Vw 2000. Het betreft een achttal gronden (art. 19 jo art. 18 lid 1 aanhef en onder a en c t/m i Vw 2000).1
Op grond van art. 19 jo 18 lid 1onder a Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de eerste plaats worden ingetrokken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Onder meer wanneer de vreemdeling langer dan zes maanden buiten Nederland heeft verbleven, wordt aangenomen dat sprake is van het vestigen van het hoofdverblijf buiten Nederland. Dit is anders wanneer de overschrijding van de grens van zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten de schuld van de vreemdeling liggen.2
In de tweede plaats kan de vergunning worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid (art. 19 jo 18 lid 1onder c Vw 2000).3,4 Er moet sprake zijn van causaal verband tussen het verstrekken van onjuiste gegevens of achterhouden van informatie en het verlenen van de vergunning. De vergunning kan voorts worden ingetrokken indien de vreemdeling respectievelijk de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer ‘zelfstandig en duurzaam over voldoende bestaansmiddelen beschikt’ (art. 19 jo 18 lid 1 onder d Vw 2000).5 Intrekking op deze grond kan bijvoorbeeld plaatsvinden, indien de verblijfsvergunning is verleend in het kader van gezinsmigratie en de vreemdeling en/of de persoon bij wie de vreemdeling verblijft doet een beroep op de algemene middelen.6
Voorts is intrekking mogelijk indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid (art. 19 jo 18 lid 1onder e Vw 2000). In de artikelen 3.86 en 3.87 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt deze grond verder uitgewerkt voor wat betreft het criterium ‘gevaar voor de openbare orde’. In art. 3.86 Vb 2000 wordt voor de vraag of een vergunning op deze grond kan worden ingetrokken een relatie gelegd tussen de duur van de periode dat de vreemdeling in Nederland verblijft en de strafmaat. Een en ander wordt ook wel aangeduid als de glijdende schaal. Deze schaal houdt kort gezegd in dat hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, des te hoger moet de straf zijn geweest welke een intrekking kan rechtvaardigen.7,8 Buiten de gevallen genoemd in art. 3.86 Vb 2000 kan de vergunning slechts wegens gevaar voor de openbare orde worden ingetrokken indien zwaarwegende belangen naar het oordeel van de minister daartoe nopen.9
Voor intrekking wegens een gevaar voor de nationale veiligheid is vereist dat sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling daadwerkelijk een gevaar vormt. Een en ander kan bijvoorbeeld blijken uit ambtsberichten van de AIVD of andere inlichtingendiensten.10
Op grond van art. 19 jo 18 lid 1onder f Vw 2000 kan een vergunning bovendien worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan een beperking waaronder de vergunning is verleend of aan een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.11 Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin een verblijfsvergunning wordt verleend onder een beperking verband houdend met studie en de vreemdeling studeert niet meer aan een erkende onderwijsinstelling.12 Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin de verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij partner’ en de relatie is reeds geruime tijd verbroken.13 Wanneer deze grond zich voordoet, vindt in de regel intrekking plaats.14
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van art. 19 jo 18 lid 1onder g Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV) is voldaan. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien voor het door de vreemdeling verrichten van arbeid geen tewerkstellingsvergunning is verleend.15
Op grond van art. 19 jo 18 lid 1 aanhef en onder h Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een zogenaamde referent is overgelegd. Deze bepaling is in de wet opgenomen als gevolg van inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid.16 Op grond van deze wet moet een vreemdeling die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wil verkrijgen een verklaring van een referent overleggen.17 Een referent kan bijvoorbeeld zijn een werkgever ingeval van verblijf voor arbeid, of een familielid bij wie de vreemdeling gaat wonen wanneer sprake is van gezinshereniging.18
Tot slot kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van art. 19 jo 18 lid 1 aanhef en onder i worden ingetrokken, wanneer de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Op grond van art. 3 lid 1 van de Wet inburgering is inburgeringsplichtig de vreemdeling die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft (sub a)19 of die geestelijk bedienaar is (sub b).20
Een uitzondering hierop geldt, voor het geval uitzetting van de vreemdeling (als gevolg van de intrekking) in strijd zou zijn met art. 8 EVRM.21
Naast de acht hiervoor genoemde discretionaire bevoegdheden tot intrekking, bevat art. 19 Vw een imperatieve intrekkingsgrondslag. Op grond van deze bepaling wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in art. 28 sub d Vw 2000 (BdK: een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd) wordt verleend. Deze grond ziet op de specifieke situatie waarin een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend aan gezinsleden van de houder van een asielstatus. Deze gezinsleden dienen te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in art. 29 lid 2 Vw 2000.22
Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
De gronden voor intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn neergelegd in art. 22 Vw 2000. Het eerste lid van deze bepaling bevat een gebonden bevoegdheid tot intrekking voor de situatie waarin aan de houder van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in art. 33 Vw 2000 (BdK: een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) wordt verleend. Ambtshalve verlening van een dergelijke vergunning geschiedt indien is voldaan aan art. 33 sub d Vw 2000.
Op grond van het tweede lid van art. 22 Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op een viertal gronden worden ingetrokken. Deze gronden komen in belangrijke mate overeen met de gronden die gelden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie hiervoor). Het betreft een discretionaire bevoegdheid tot intrekking, waarbij alvorens tot intrekking over te gaan een belangenafweging moet worden gemaakt. In de Vreemdelingencirculaire is deze bevoegdheid sterk ingekaderd, in die zin dat dat de vergunning wordt ingetrokken indien zich één van de in het tweede lid neergelegde gronden voordoet, tenzij de artikelen 3.97 en 3.98 Vb 2000 hierop een uitzondering maken.23
In de eerste plaats kan de vergunning worden ingetrokken indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd (art. 22 lid 1sub a Vw 2000).24 Intrekking kan voorts plaatsvinden indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid (art. 22 lid 1 onder b Vw 2000). Het gaat niet slechts om informatie die door de vreemdeling is verstrekt of achtergehouden, maar ook om informatie die door een belanghebbende derde is verstrekt of achtergehouden.25 Intrekking op deze grond blijft op grond van art. 3.97 Vb 2000 achterwege indien sedert de verlening van de verblijfsvergunning een termijn van twaalf jaar is verstreken.26
Op grond van art. 22 lid 1onder c Vw 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken wanneer
‘de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.’27
Tot slot kan de vergunning worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor nationale veiligheid (art. 22 lid 1onder d Vw 2000).
Intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is geregeld in art. 32 Vw 2000. In het eerste lid van deze bepaling is een vijftal intrekkingsgronden neergelegd. Intrekking kan in de eerste plaats geschieden indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid (art. 32 lid 1onder a Vw 2000). Ook hier is causaal verband vereist.28 In de Vreemdelingencirculaire is deze bevoegdheid tot intrekking nader uitgewerkt. Ook hier geldt dat het kan gaan om de situatie waarin een ander onjuiste of onvolledige gegevens over de vreemdeling heeft verstrekt. De IND beoordeelt de situatie zoals die zou zijn als op het moment van de vergunningaanvraag juiste gegevens bekend zouden zijn geweest. Intrekking op deze grond vindt plaats met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.29 Wanneer intrekking plaatsvindt, beoordeelt de IND ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, dan wel of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van art. 64 Vw 2000.30
Hoewel art. 32 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000 een discretionaire bevoegdheid tot intrekking bevat, geldt op grond van art. 3.105f lid 1 Vb 2000 dat wanneer deze grond zich voordoet een verplichting tot intrekking bestaat, indien de verblijfsvergunning is verleend op grond van art. 29 lid 1 onder b Vw 2000.31 Een beroep op vertrouwensbeginsel slaagt doorgaans niet.32
Een vergunning kan voorts worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (art. 32 lid 1onder b Vw 2000). In dat kader wordt het hiervoor besproken art. 3.86 Vb 2000 en de daarin neergelegde glijdende schaal analoog toegepast.33 Voor de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid, kan ook hier gebruik worden gemaakt van ambtsberichten van de AIVD of andere inlichtingendiensten.34 Wanneer de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, vindt deze intrekking plaats met terugwerkende kracht tot aan de pleegdatum van het misdrijf.35 Een aanzienlijk tijdsverloop tussen het uitzitten van een straf en de intrekking, zonder dat sprake is van recidive, kan leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar voor de gemeenschap vormt.36,37
Intrekking is op grond van art. 32 Vw 2000 tevens mogelijk indien de grond voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in art. 29 Vw 2000 is komen te vervallen (sub c). Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het geval waarin algehele situatie in het land van herkomst zich heeft gewijzigd, waardoor het veilig is om terug te keren.38 Betreft het een verblijfsvergunning welke is verleend op grond van art. 29 lid 1 aanhef en onder b Vw 2000, dan bestaat een verplichting tot intrekking op grond van art. 3.105f lid 1 Vb 2000.39 Op grond van de Vreemdelingencirculaire blijft intrekking achterwege indien de IND van oordeel is dat zich een andere grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als genoemd in art. 29 eerste of tweede lid Vw voordoet.40,41 De vergunning kan voorts worden ingetrokken, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd (art. 32 lid 1onder d Vw 2000).42 Wanneer intrekking plaatsvindt, wordt aan de intrekking terugwerkende kracht verbonden.43 Intrekking blijft achterwege indien de vreemdeling op het moment van de intrekking in zijn land het risico loopt op schending van art. 3 EVRM.44
Intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan tot slot plaatsvinden, indien de vergunning is verleend aan een gezinslid van de asielstatushouder als bedoeld in art. 29 lid 2 Vw 2000 en dat gezinslid niet (langer) een huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met deze asielstatushouder (art. 32 lid 1onder e Vw 2000). Intrekking op deze grond vindt bijvoorbeeld niet plaats, indien de asielstatushouder is overleden.45
Intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden welke zijn neergelegd in art. 35 lid 1 Vw 2000. Deze gronden komen voor een belangrijk deel overeen met de gronden genoemd in art. 32 Vw 2000, met uitzondering van het vervallen van de grond voor verlening van de vergunning.
Een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan allereerst worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid (art. 35 lid 1sub a Vw 2000).46 Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin wordt verzwegen dat reeds elders asiel is aangevraagd.47 Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook hier doorgaans niet.48
De vergunning kan voorts worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van 3 jaar of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregels als bedoeld in art. 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd (art. 35 lid 1onder b Vw 2000).49Art. 3.86 Vb 2000 inclusief de daarin neergelegde glijdende schaal wordt bij deze intrekkingsgrond toegepast.50 Intrekking kan tevens plaatsvinden indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd (art. 35 lid 1 onder c Vw 2000).51 Tot slot kan intrekking plaatsvinden indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (art. 35 lid 1 onder d Vw 2000).52
Verbod van refoulement
Art. 3 EVRM, art. 33 van het Vluchtelingenverdrag en art. 3 van het VN-Antifolterverdrag bevatten onder andere een verbod van refoulement. Kort gezegd betekent dit dat een vreemdeling niet mag worden uitgezet naar een land waar hij moet vrezen voor vervolging. Nu de intrekking van een verblijfsvergunning asiel een voornemen tot uitzetting impliceert,53 moet bij de intrekking worden beoordeeld of art. 3 EVRM zich tegen uitzetting verzet.54 Het is aan de minister om te beoordelen of het blijvend onthouden van een vergunning al dan niet disproportioneel is.55