Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.3.2
I.2.3.2 Afleiding uit de EU-verdragen en de Btw-richtlijn
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495301:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders: R.A. Wolf, NL-omzetbelasting of EU-btw? (oratie Amsterdam VU), Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p. 12-13. Wolf stelt met zoveel woorden dat vanuit Unierechtelijk perspectief geen sprake is van een omzetbelasting, maar (alleen) van een belasting over de toegevoegde waarde (btw).
Zie ook het tweede punt van de considerans bij de Eerste Richtlijn: ‘Overwegende dat het verwezenlijken van deze doelstelling [het bereiken van een interne markt – WJB] vooronderstelt dat in de Lid-Staten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast welke de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de gemeenschappelijke markt niet belemmeren.’ Zie ook: L.F. Ploeger, ‘Het verbruik in de omzetbelasting (I)’, WFR 1972/969.
Algemeen rapport van de subgroepen A, B en C ingesteld ter bestudering van de verschillende mogelijkheden tot harmonisatie van de omzetbelastingen (rapport van januari 1962), p. 102.
Zie ook artikel 2 Eerste Richtlijn.
Zie ook de derde considerans bij de Eerste Richtlijn: ‘Overwegende dat de thans geldende wetgevingen niet aan voormelde vereisten voldoen; dat het derhalve in het belang van de gemeenschappelijke markt is om een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen welke ten doel heeft de factoren, die de mededingingsvoorwaarden zowel op nationaal als op communautair niveau zouden kunnen vervalsen, zoveel mogelijk uit te schakelen en welke harmonisatie het mogelijk maakt om vervolgens te komen tot het doel van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten.’
Zie bv. Van Hilten & Van Kesteren 2014, p. 53.
De EU-verdragen vormen een voor de hand liggend startpunt voor de afleiding van objectieve gegevens die, geabstraheerd van de concrete uitwerking van de belasting, aangeven wie en wat belast moeten worden. In die verdragen is namelijk de grondslag te vinden voor de Eerste Richtlijn, waarmee het gemeenschappelijke btw-stelsel ooit is ingesteld, en thans nog voor de Btw-richtlijn. Uit de EU-verdragen volgt dat de belasting die de lidstaten op grond van de Btw-richtlijn moeten heffen, een omzetbelasting moet zijn. Artikel 99 EEG-verdrag en inmiddels artikel 113 VWEU bevatten namelijk de opdracht aan de Raad de wetgevingen inzake de omzetbelasting in de lidstaten te harmoniseren. De naamgeving van de Wet OB 1968 en de karakterisering van de belasting in artikel 1 Wet OB 1968 (‘omzetbelasting’) is in dit licht dus adequaat.1 Bevestiging van het karakter van omzetbelasting is te vinden in de eerste volzin van het vierde punt van de considerans van de Btw-richtlijn (cursivering WJB):2
‘Het verwezenlijken van de doelstelling een interne markt in te stellen vooronderstelt dat in de lidstaten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast die de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten niet belemmeren.’
Dat de term omzetbelasting in de naamgeving en bepalingen van de Btw-richtlijn niet terugkomt, doet aan het voorgaande niet af. Het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, waaraan artikel 1, lid 1, Btw-richtlijn refereert, is in mijn visie bovenal het gekozen systeem voor de heffing van omzetbelasting (zie ook par. 1.7.2.).3 Dat de omzetbelasting tevens een verbruiksbelasting is die algemeen is en evenredig is aan de prijzen die consumenten voor goederen en diensten betalen, volgt uit de eerste volzin van het tweede lid van artikel 1 Btw-richtlijn:4
‘Het gemeenschappelijke BTW-stelsel berust op het beginsel dat op goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven die strikt evenredig is aan de prijs van de goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal handelingen dat tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvond.’
Zonder dat het concreet de uitwerking van de belasting betreft, geeft de Btw-richtlijn hier zelf in grote lijnen aan wat de bedoeling is. Het laatste element van de strekking van de omzetbelasting, de mededingingsneutraliteit, volgt ten slotte uit artikel 113 VWEU. In die bepaling komt de zinsnede voor: ‘voorzover [sic] deze harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en werking van de interne markt te bewerkstelligen en concurrentieverstoringen te voorkomen’. Ook de hiervoor reeds aangehaalde eerste volzin van het vierde punt van de considerans bij de Btw-richtlijn noemt de mededingingsneutraliteit, evenals de tweede volzin van dit punt:5
‘Het is derhalve noodzakelijk om door middel van een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (BTW) een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen die ten doel heeft, de factoren die de mededingingsvoorwaarden op nationaal of op communautair niveau zouden kunnen vervalsen, zoveel mogelijk uit te schakelen.’
In relatie tot het oogmerk zo min mogelijk verstoring van de mededinging te veroorzaken, wordt ook wel van de (fiscale) neutraliteit of neutraliteit ten aanzien van de mededinging gesproken.6 Minder frequent voorkomende aanduidingen van deze vorm van neutraliteit zijn economische en interne neutraliteit.7