Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/69:69 Verhaal door crediteuren van de cessionaris?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/69
69 Verhaal door crediteuren van de cessionaris?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD14309:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 17 juni 1960, NJ 1962, 60 (Helmig/Smit q.q.) en Reehuis 1987, nr. 320.
Vgl. Meijers 1936, p. 258-264.
HR 3 januari 1941, NJ 1941, 470 m.nt. PS. Vgl. ook HR 24 juni 1994, NJ 1995, 368 m.nt. HJS (INB/Klützow q.q.).
Vgl. bijvoorbeeld Snijders 1970, in het bijzonder p. 32, Van Mierlo 1988, par. 3.1.2.2 en Van Hees 1997, par. 5.5 en zie voorts de aldaar door deze auteurs aangehaalde literatuur.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de cessie tot zekerheid van een vordering gaat deze deel uitmaken van het vermogen van de cessionaris.1 Gevolg hiervan is dat deze onder een algemeen faillissementsbeslag op zijn vermogen valt en in beginsel bloot staat aan verhaal door zijn crediteuren. De cedent en de cessionaris plachten onder het oude Burgerlijk Wetboek bij een eigendomsoverdracht tot zekerheid de bevoegdheden van de cessionaris, ter bescherming van de cedent, in hun overeenkomst te beperken. Zo pleegden zij overeen te komen dat de cessionaris pas bevoegd was om de overgedragen vorderingen te innen en zich op de opbrengst te verhalen nadat de cedent (zijn schuldenaar) jegens hem in verzuim was geraakt. Voor Meijers was het in 1936, in zijn preadvies aan de notariële broederschap, vrijwel zeker dat deze overeengekomen beperkingen niet aan derden, zoals de schuldeisers van de cessionaris of diens faillissementscurator, konden worden tegengeworpen. Hij nam aan dat de beperkingen van het eigendomsrecht van de cessionaris, waarmee in wezen een splitsing van de aan een eigenaar toekomende bevoegdheden over de cedent en de cessionaris werd beoogd, geen zakelijke werking hadden.2
Later oordeelde de Hoge Raad, in het arrest Boerenleenbank Hazerswoude/Los3 dat de voor pand en hypotheek geldende regels voor zover mogelijk ook golden voor zekerheidseigendom. De precieze reikwijdte van die gelijkstelling is niet duidelijk, maar in de na dit arrest verschenen literatuur gaat men er unaniem vanuit dat de aan een fiduciair eigendomsrecht inherente beperkingen aan derden kunnen worden tegengeworpen, ook aan de faillissementscurator van de fiduciair eigenaar en aan degenen die op het vermogen van de fiduciair eigenaar beslag hebben gelegd. Aangenomen werd dat de schuldeisers en de curator van de fiduciair eigenaar tot inning en verhaal niet bevoegd waren, zolang de fiduciair eigenaar in zijn verhouding tot de cedent niet bevoegd zou zijn om de fiduciair overgedragen vorderingen te innen. Uitsluitend in geval van wanprestatie door de schuldenaar van de zekerheidseigenaar zou een faillissementscurator of beslaglegger het in zekerheid overgedragen goed te gelde mogen maken.4