Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.2.2.2
III.14.2.2.2 Intrekking op grond van de Participatiewet
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375290:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Sinds 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties een aparte verplichting. Voorheen was dit enkel een verzwarende omstandigheid welke kon leiden tot een hogere of langer durende verlaging van de bijstand. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33801, nr. 3, p. 24-25.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien ontslag wordt genomen voordat bijstand wordt aangevraagd. Vgl. CRvB 6 oktober 2010, USZ 2010/348. Een ander voorbeeld is de situatie waarin een bedrag van 90.000 euro, zijnde een erfenis, contant in de woning aanwezig was, maar werd gestolen: CRvB 6 december 2011, JWWB 2012/22 en USZ 2012/26.
Art. 18 lid 3 Pw.
Art. 18 lid 4 sub a en f Pw.
Art. 18 lid 11 Pw. Dit wordt ook wel de inkeerregeling genoemd. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33801, nr. 24, p. 5.
CRvB 13 maart 2012, RSV 2012/131 en JWWB 2012/71.
Kamerstukken II 2013/14, 33801, nr. 24, p. 4.
Vgl. art. 8 lid 1 aanhef en onder a Pw. De vrijheid van gemeenten om bepalingen omtrent de verlaging op te nemen in de afstemmingsverordening is beperkt, gelet op de dwingende bepalingen van art. 18 Pw. Zie Klosse en Vonk 2014, p. 271.
CRvB 31 mei 2011, USZ 2011/212 en Rechtbank Arnhem 3 september 2008, JWWB 2009/34 met een verwijzing naar CRvB 11 maart 2008, JWWB 2008/119.
Art. 54 lid 4 Pw.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het recht op bijstand tevens wordt opgeschort indien bij beoordeling van de aanvraag blijkt dat het door de belanghebbende opgegeven adres afwijkt van het GBA-adres. Vgl. art. 40 lid 3 Pw.
CRvB 31 januari 2012,RSV 2012/81, USZ 2012, 71 en JWWB 2012/41.
CRvB 5 juni 2007, USZ 2007/241.
Het betreft de informatieplicht jegens het college van B&W (art. 17 lid 1 Pw) en de informatieplicht jegens het UWV (art. 30c lid 2 en 3 Wet SUWI).
Gedacht kan worden aan de situatie waarin een gezamenlijke huishouding niet wordt gemeld. Zie CRvB 19 mei 2009, USZ 2009/198, CRvB 27 september 2011, USZ 2011/305 m.nt. Moesker, RSV 2011/350 enJWWB 2011/252, CRvB 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:1947 en CRvB 23 september 2014, USZ 2014/355 m.nt. Nacinovic. Voorts kan worden gedacht aan het verzwijgen van inkomsten uit arbeid (CRvB 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6578 en CRvB 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8023) of het verzwijgen van vermogen dat uitkomt boven de in art. 34 Pw neergelegde vermogensgrens (CRvB 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7086).
CRvB 11 mei 2010, RSV 2010/174 en JWWB 2010/155.
Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, p. 76.
Zie bijvoorbeeld CRvB 21 april 2005,USZ 2005/204 m.nt. Balkema, JWWB 2005/ 224 en RSV 2005/163.
CRvB 4 september 2012,RSV 2012/262, JWWB 2012/173 en USZ 2012/284 met een verwijzing naar CRvB 27 september 2011, RSV 2011/327, JWWB 2011/242 en USZ 2011/306.
CRvB 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7086. Zo werd in een uitspraak van de CRvB van 8 januari 2013, RSV 2013/71 en JWWB 2013/24 het feit dat terugvordering van een bijstandsuitkering mogelijk zou leiden tot het beƫindigen van het schuldsaneringstraject waarin betrokkene zich bevond, niet aangemerkt als dringende reden. De CRvB oordeelde dat betrokkene werd beschermd door de beslagvrije voet van artt. 475b t/m 475e Rv.
Afstemming en verlaging
Op grond van art. 18 lid 1 Pw stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In het tweede lid van deze bepaling is de zogenaamde verlaging neergelegd. Dit betreft een aanpassing van de uitkering bij wijze van sanctie. Een dergelijke verlaging vindt plaats in een tweetal gevallen:
het niet nakomen van verplichtingen voortvloeiende uit de Participatiewet, met uitzondering van art. 17 lid 1van die wet;1,2
indien naar het oordeel van het college sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.3
Wanneer een besluit tot verlaging van bijstand is genomen op grond van art. 18 lid 2 Pw, is het college gehouden om binnen een termijn van maximaal 3 maanden dit besluit te heroverwegen.4 De (gebonden) bevoegdheid om de bijstand op grond van art. 18 lid 2 Pw te verlagen is nader uitgewerkt in het vierde lid van art. 18 Pw. In deze bepaling is een achttal verplichtingen opgenomen waarbij geldt dat als betrokkene deze verplichtingen niet nakomt, de bijstand in ieder geval wordt verlaagt, overeenkomstig hetgeen is bepaald in het vijfde t/m achtste lid. Het betreft onder meer het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het verkrijgen of behouden van kennis en vaardigheden.5 In het vierde t/m het achtste lid van art. 18 Pw is vervolgens nader bepaald welke omvang de verlaging heeft en hoe lang deze duurt. Daarbij is voorzien in de mogelijkheid om de bijstand steeds weer te verlagen, wanneer betrokkene verplichtingen niet na blijft komen. Zodra betrokkene de verplichtingen nakomt, kan hij het college verzoeken het verlagingsbesluit te herzien.6
Van verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (art. 18 lid 9 Pw). Zo kan het niet verschijnen op een gesprek niet leiden tot een verlaging indien onvoldoende is komen vast te staan dat de uitnodiging voor dat gesprek de betreffende persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt.7 De bewijslast ten aanzien van het ontbreken van verwijtbaarheid berust bij betrokkene.8 In art. 18 lid 10 Pw is het zogenaamde individualiseringsbeginsel neergelegd.9 Het college stemt verlaging af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het oordeel van het college, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Verdere bepalingen omtrent de verlaging zijn te vinden in de gemeentelijke afstemmingsverordeningen.10 Verlaging mag in ieder geval niet onbeperkt van duur zijn.11
Herziening, intrekking en opschorting
Op grond van art. 54 Pw kan in bepaalde gevallen de bijstand worden ingetrokken, herzien of opgeschort. Het recht op bijstand kan op grond van het eerste lid worden opgeschort wanneer betrokkene verwijtbaar niet (tijdig) bepaalde gegevens verstrekt, onvolledige gegevens verstrekt, dan wel indien anderszins onvoldoende medewerking wordt verleend. Deze opschorting mag ten hoogste acht weken duren. Betrokkene wordt een termijn gegeven binnen welke het verzuim kan worden hersteld. Wordt het verzuim niet binnen deze termijn hersteld, dan kan het college het besluit tot toekenning van de bijstand op grond van art. 54 lid 4 Pw intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.12, 13 In een procedure omtrent een intrekkingsbesluit als bedoeld in het vierde lid dient te worden bezien of is verzuimd de gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Is dat het geval, dan dient te worden nagegaan of betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Verwijtbaarheid kan ontbreken indien de gegevens of bewijsstukken niet van belang zijn voor verlening van de bijstand of indien het gaat om gegevens waarover betrokkene niet redelijkerwijs binnen de hersteltermijn heeft kunnen beschikken.14 Ingeval de op grond van art. 54 lid 2 Pw gegunde termijn kort is en het onzeker is of betrokkene op de hoogte is geweest van de inhoud van het opschortingsbesluit, dient intrekking ook achterwege te blijven.15
Een besluit tot toekenning van bijstand wordt op grond van het derde lid van art. 54 Pw herzien of ingetrokken wanneer enkele specifiek genoemde informatieplichten16 niet worden nagekomen, hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.17 Niet steeds wordt aangenomen dat een informatieplicht rust op de ontvanger van een bijstandsuitkering. In een uitspraak van de CRvB uit 2005 ging het om twee bankrekeningen die in verband werden gebracht met een bijstandsgerechtigde. Later kwam vast te staan dat er geen verband bestond tussen de rekeningen en deze bijstandsgerechtigde. Het college van B&W had zich naar het oordeel van de CRvB onvoldoende ingespannen om een fout in het gegevenstraject tussen de bank, de Belastingdienst en het Inlichtingenbureau van de gemeente nader te onderzoeken. Om die reden werd aangenomen dat op betrokkene geen inlichtingenverplichting als bedoeld in art. 17 lid 1 WWB (oud) rustte. Van een schending van deze inlichtingenplicht was daarom geen sprake.18
Voorts kan het besluit tot toekenning van bijstand worden ingetrokken of herzien indien anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Wat betreft deze laatste grond geldt dat, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alleen tot intrekking of herziening kan worden overgegaan, āindien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte bijstand ontvingā.19 Het betreft een kan-bepaling, hetgeen betekent dat ook van intrekking of herziening kan worden afgezien.20 Vastgesteld moet worden of en zo ja tot welk bedrag recht bestond op bijstand. Indien een precieze vaststelling niet mogelijk is, dient schattenderwijs te worden vastgesteld tot welk bedrag in ieder geval recht op bijstand bestaat. Eventueel nadeel voor de belanghebbende, samenhangend met resterende onzekerheden, dient voor zijn rekening te komen.21
Art. 54 Pw laat het college van B&W, in tegenstelling tot art. 18 Pw, niet de mogelijkheid om in geval van dringende redenen van herziening of intrekking af te zien. Een dergelijke beoordeling vindt wel bij de beslissing omtrent terugvordering plaats, hetgeen volgt uit art. 58 lid 8 Pw. Volgens de CRvB is van een dringende reden pas sprake wanneer de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiƫle consequenties heeft. Voor een dergelijk oordeel is slechts incidenteel ruimte.22