Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/15:15 De indeling van dit boek
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/15
15 De indeling van dit boek
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 26-05-2025
- Datum
26-05-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD12872:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 worden enkele algemene uitgangspunten voor de beantwoording van de onderzoeksvragen geformuleerd. In hoofdstuk 3 volgt een korte schets van de regeling van het pandrecht zoals die luidde onder het Burgerlijk Wetboek van 1838, alsmede de regeling zoals die na een wetswijziging gold vanaf 1874. Met dit historisch perspectief wordt beoogd het begrip van de huidige regeling en van de vragen die deze regeling oproept te bevorderen. In dat hoofdstuk is tevens een overzicht op hoofdlijnen van de huidige regeling opgenomen.
Voorafgaand aan de hoofdstukken die zijn gewijd aan specifiek op het pandrecht betrekking hebbende onderzoeksvragen, wordt in hoofdstuk 4 een vergelijking gemaakt tussen de overdracht tot zekerheid en het stil pandrecht. Daar naar huidig recht de hoofdregel geldt dat een overdracht tot zekerheid niet mogelijk is,1 is dit gedeeltelijk een historische exercitie. In hoofdstuk 5 zal aan de hand van de in hoofdstuk 4 gemaakte vergelijking worden bezien of en in hoeverre fiduciaire overdracht tot zekerheid enerzijds en stil pandrecht anderzijds kunnen voldoen aan de aan zekerheidsrechten op naam te stellen vereisten. Die vergelijking leidt tot een antwoord op de vraag hoe in de behoefte aan zekerheidsrechten op vorderingen op naam zou moeten worden voorzien: door overdracht tot zekerheid, door stil pand of door beide figuren naast elkaar te laten bestaan. Die vergelijking gaat aan de behandeling van de specifiek op het pandrecht op vorderingen betrekking hebbende onderzoeksvragen vooraf, omdat het weinig zinvol lijkt om een boek over stil pandrecht op vorderingsrechten te schrijven als een vergelijking van stil pandrecht en cessie tot zekerheid zou leiden tot de conclusie dat de stille cessie tot zekerheid ook heringevoerd kan worden voor situaties waarin deze niet reeds mogelijk is op grond van de titel Financiëlezekerheidsovereenkomsten in Boek 7 BW en/of de jurisprudentie2 en dat daarnaast aan stil pandrecht op vorderingen geen behoefte meer zou bestaan.
Het onderwerp van hoofdstuk 6 is de vraag aan welke vereisten een vordering op naam moet voldoen om voor verpanding vatbaar te zijn. In hoofdstuk 7 wordt onderzocht wanneer een vordering voldoende bepaald is om te kunnen worden verpand, alsmede hoe vervolgens moet worden vastgesteld welke vordering(en) is (zijn) verpand. Pandrecht op toekomstige vorderingen komt aan bod in hoofdstuk 8. Daarbij wordt zowel aandacht besteed aan de mogelijkheid om op toekomstige vorderingen een (stil) pandrecht te vestigen als aan de invloed van faillietverklaring van de pandgever op een bij voorbaat op een toekomstige vordering gevestigd pandrecht. De gevolgen van faillietverklaring van de pandgever voor de bevoegdheden om de vordering te innen en op de opbrengst verhaal te nemen, vormen het onderwerp van hoofdstuk 9. In dat hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan de vragen of en op grond waarvan de pandhouder jegens de pandgever of diens faillissementscurator recht heeft op informatie over de verpande vordering. Verrekening, in het bijzonder van vorderingen waarop een pandrecht is gevestigd met tegenvorderingen van de debiteur van de pandgever, is het onderwerp van hoofdstuk 10. Hoofdstuk 11 is gewijd aan de substitutie van het pandrecht, hetzij door een pandrecht op het geïnde na inning van de verpande vordering, hetzij door een pandrecht op een vordering tot vergoeding die ontstaat als de verpande vordering tenietgaat of in waarde vermindert. In hoofdstuk 12 wordt van een aantal met (de inning van) een vordering verband houdende rechten onderzocht door wie deze kunnen worden uitgeoefend: de pandgever, de (inningsbevoegde) pandhouder of beiden. De bevoegdheden van de pandgever en de pandhouder om geschillen met de debiteur van de verpande vordering te beslechten en met hem een minnelijke regeling te treffen, zowel in als buiten rechte, komen aan bod in hoofdstuk 13.
In het voorlaatste hoofdstuk wordt kort stilgestaan bij enkele vragen die de inpassing in het huidige recht van de fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid van vorderingen zou kunnen oproepen als het ‘fiduciaverbod’ wordt geschrapt. Het laatste hoofdstuk bestaat uit een slotbeschouwing, de belangrijkste conclusies en enkele aanbevelingen aan de wetgever. Het boek sluit af met een Engelstalige samenvatting, een jurisprudentieregister en een overzicht van de aangehaalde literatuur.