Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.2.2.2
3.2.2.2 Nuancering van §311 BGB
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377959:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Hirsch 2013, p. 46; Münchener Kommentar zum BGB, §311, nr. 21 (Emmerich).
Brox/Walker 2014, p. 21.
Brox/Walker 2014, p. 22.
Flume 1992, p. 9; Münchener Kommentar zum BGB, §328, nr. 4 (Gottwald). De begunstigde kan het recht op grond van §333 BGB wel afwijzen. Niemand hoeft immers te dulden dat hij een vordering krijgt opgedrongen; Medicus 2012, p. 30.
Ook via §241 Abs. 2 jo. §311 Abs. 3 BGB kunnen verplichtingen jegens derden ontstaan. De uit een rechtsverhouding voortvloeiende verplichting voor contractspartijen om rekening te houden met de belangen van de wederpartij (zie Münchener Kommentar zum BGB, §241, nr. 48 (Roth/Bachmann)) kan ook bestaan jegens derden. Deze plicht ontstaat in het bijzonder, als de derde in buitengewone mate de onderhandelingen of de contractssluiting beïnvloedt; Münchener Kommentar zum BGB, §311, nr. 185 (Emmerich).
§346 BGB.
Hirsch 2013, p. 174.
Münchener Kommentar zum BGB, §143, nr. 3 (Busche); Staudinger/Roth, §143 BGB, nr. 5.
§463 BGB.
§456 BGB.
Adomeit 1969, p. 24.
Von Campenhausen/Richter 2014, §6, nr. 11; Staudinger/Hütteman/Rawert, §81 BGB, nr. 2.
§81 BGB.
Von Campenhausen/Richter 2014, §6, nr. 30; Münchener Kommentar zum BGB, §311, nr. 21 (Emmerich).
Hirsch 2013, p. 44; Beck’sches Handbuch der GmbH 2009, §2, nr. 148 (Schwaiger).
§1592 BGB; Münchener Kommentar zum BGB, §1594, nr. 14 (Wellenhofer). Hierbij moet dezelfde kanttekening geplaatst worden als voor erkenning in het Nederlandse recht (zie nr. 96) dat de moeder of het kind moeten instemmen met de erkenning, zie §1595 BGB.
§1601 BGB; §1924 BGB; §2303 BGB.
Münchener Kommentar zum BGB, §1594, nr. 18 (Wellenhofer).
109. §311 BGB clausuleert zowel het scheppen als het wijzigen en teniet doen gaan van verbintenissen door eenzijdige rechtshandelingen. Niet omstreden is dat er veel eenzijdige rechtshandelingen zijn die verbintenissen wijzigen of teniet doen gaan.1 Ik noem ze hier slechts ter illustratie. Een nadere toelichting per rechtshandeling kan gevonden worden in par. 3.4:
Wijzigen of nader invullen van verbintenissen
Tenietdoen van verbintenissen
Validatie van verbintenissen
Bepaling van prestatie
Vernietiging
Toestemming vooraf (Einwilligung)
Uitoefening keuzerecht
Opzegging
Toestemming achteraf (Genehmigung)
Uitoefening Vorkaufsrecht
Ontbinding
Bevestiging vernietigbare rechtshandeling
Uitoefening Wiederkaufsrecht
Herroepen van een consumentencontract
Bekrachtiging nietige rechtshandeling
Goed- of afkeuring bij koop op proef
Herroeping van een schenking
Volmachtverlening
Wijziging contract bij gewijzigde omstandigheden
Afwijzen van een rechtshandeling
Prijsvermindering
Verrekening
Schuldoverneming
Afstand van recht
Aanvaarding van een nalatenschap
Afstand van een recht op een stuk land
Verwerping van een nalatenschap
Weigering van een verkregen recht (bijv. verkregen uit derdenbeding, vgl. §333 BGB)
Herroeping volmacht
110. Op meer weerstand stuit de idee dat eenzijdige rechtshandelingen ook verbintenissen kunnen scheppen. In de literatuur worden twee voorbeelden aangehaald: de uitloving en het legaat.
Over de uitloving bepaalt §657 BGB dat degene die door openbare bekendmaking een beloning uitlooft voor het verrichten van een prestatie, verplicht is de beloning uit te keren aan degene die de prestatie uitvoert. De eenzijdige wilsverklaring van de uitlovende is de grondslag voor de verplichting voor het geven van het uitgeloofde.2 Voor het legaat bepaalt §2174 BGB dat de legataris het recht verkrijgt om het vermaakte te vorderen van de bezwaarde. Nu de verbintenis niet aanvaard hoeft te worden door de legataris, is de grondslag voor de verbintenis is een eenzijdige rechtshandeling.3
111. Naar Duits recht kan ook het derdenbeding worden gekwalificeerd als een rechtshandeling die een verbintenis kan doen ontstaan zonder dat de begunstigde dat hoeft te aanvaarden. In een overeenkomst kan op grond van §328 BGB een vorderingsrecht worden gecreëerd voor een derde. De toekenning van deze vordering kan (anders dan naar Nederlands recht) eenzijdig plaatsvinden. De derde verkrijgt het vorderingsrecht onmiddellijk, zonder zijn instemming.45
§346 BGB bepaalt dat na ontbinding van een overeenkomst de reeds verrichte prestaties moeten worden teruggegeven.6Herroeping van een consumentenovereenkomst heeft dezelfde rechtsgevolgen als ontbinding,7 dus ook na herroeping zullen de reeds verrichte prestaties ongedaan gemaakt moeten worden.
112. Er zijn echter ook eenzijdige rechtshandelingen waarvan het verbintenisscheppende karakter niet uitdrukkelijk in de wet is neergelegd, maar dat wel uit de wet voortvloeit. Net als naar Nederlands recht heeft het vernietigen van een rechtshandeling door de ex tunc-werking tot gevolg dat de reeds verrichte prestaties die voortvloeiden uit de vernietigde rechtsverhouding ongedaan moeten worden gemaakt.8 Denkbaar is dat ontbinding of vernietiging een (schadevergoedings)verbintenis doet ontstaan die niet in de wet is toegekend maar die voortvloeit uit partij-afspraak.
Ook het uitoefenen van een Vorkaufs- of Wiederkaufsrecht schept verbintenissen. Een partij die een Vorkaufsrecht heeft om een goed te kopen, kan dat recht uitoefenen zodra degene die dat recht moet respecteren, de Verpflichtete, met een derde een overeenkomst gesloten heeft over die zaak.9 Door het uitbrengen van een verklaring jegens de Verpflichtete komt een koopovereenkomst tot stand tussen de Vorkaufs-gerechtigde en de Verpflichtete, onder de contractsvoorwaarden zoals die golden tussen de Verpflichtete en de derde. Als de verkoper een recht tot terugkoop (Wiederkauf) heeft voorbehouden, dan kan hij de terugkoopovereenkomst tot stand brengen door een verklaring aan de koper dat hij zijn Wiederkaufsrecht uitoefent.10 Met de eenzijdige verklaring waarmee een Vorkaufs- of Wiederkaufsrecht wordt uitgeoefend, komt een overeenkomst tot stand. Uit die overeenkomst vloeien verbintenissen tot betaling en levering voort. De Vorkaufs- en Wiederkaufserklärung worden door Adomeit, ondanks de tussenstap van het contract, gezien als verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandelingen.11
113. In het ondernemingsrecht kunnen bijvoorbeeld uit de oprichting van een stichting en van een eenmans-GmbH verbintenissen voortvloeien. De handeling waarmee een stichting wordt opgericht, is een eenzijdige, nichtempfangsbedürftige wilsverklaring.12 De oprichter verplicht zichzelf tot het inbrengen van vermogensbestanddelen.13 Deze verplichting is een vebintenis, nu het de stichting een vorderingsrecht geeft op de oprichter.14 Ook de oprichting door één persoon van een GmbH doet de verbintenis voor de oprichter ontstaan om kapitaal in te brengen.15
114. In het familierecht vinden we de erkenning van vaderschap. De erkenningsverklaring vestigt tussen het kind en zijn vader een verwantschapsrelatie die terugwerkt tot de geboorte.16 Aan deze verwantschap knoopt de wet onderhoudsverplichtingen en erfrechtelijke aanspraken.17 Het kind kan dus jegens de vader een bijdrage in zijn levensonderhoud vorderen, en vice versa.18 Dezelfde kanttekening kan echter worden geplaatst als voor het Nederlandse recht dat het feit dat ofwel de moeder, ofwel het kind toestemming moet geven voor de erkenning. De toestemming is een geldigheidsvereiste. Moeder noch kind worden partij bij de erkenningshandeling. Het is dus een eenzijdige rechtshandeling, ook al is de facto de instemming vereist van de direct betrokkenen.
115. Het Duitse recht kent dus de volgende voorbeelden van eenzijdige rechtshandelingen waaruit op grond van de wet of op grond van de verklaring zelf verbintenissen kunnen voortvloeien:
Uitloving
Legaat
Derdenbeding
Vernietiging
Ontbinding
Herroeping van een consumentenovereenkomst
Uitoefenen van een Vorkaufs- of Wiederkaufsrecht
Oprichting van een stichting of een eenmans-GmbH
Erkenning van vaderschap
Voor een aantal van deze figuren vormt de wet inderdaad de uitdrukkelijke grondslag van de verbintenis. Voor andere vloeit de verbintenis voort uit het systeem van de wet of uit de rechtshandeling zelf. Dit toont mijns inziens aan, dat het adagium van §311 BGB niet onverkort geldt. In de praktijk bestaat dus weinig verschil tussen de norm van §311 BGB en van art. 6:1 BW, nu in beide stelsels verbintenissen niet alleen ontstaan als de wet dat bepaalt, maar ook als dat uit de wet voortvloeit.