De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.2.3:1.2.3 Vergaande aansprakelijkheid beroepsbeoefenaren
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.2.3
1.2.3 Vergaande aansprakelijkheid beroepsbeoefenaren
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Boschma & Mathey-Bal 2012.
Zie o.a. Arisz & Kamphuisen 1987, Wessels 1995, Slagter 1995, Kamp 1995, Vloemans 2004 en Boschma & Mathey-Bal 2012.
HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 (Biek Holding).
Zie hierover ook Wessels 1995 en Boschma & Mathey-Bal 2012.
Zie o.a. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267, HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, NJ 2016/66 (Alasco Vastgoed) en Hof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:635.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar huidig recht handelt elke vennoot in een maatschap, tenzij hij een volmacht heeft verkregen van de overige vennoten, voor zichzelf, en is daarom ook in eigen naam aansprakelijk tegenover derden (artikel 7A:1679 jo. 7A:1681 BW). Als de vennoot een volmacht heeft verkregen en daarmee de overige vennoten tegenover derden heeft gebonden, zijn alle vennoten in privé aansprakelijk voor gelijke delen, zo volgt uit artikel 7A:1680 BW.
Zoals in paragraaf 1.2.2 reeds werd aangehaald, zouden in titel 7.13 de begrippen ‘beroep’ en ‘bedrijf’ niet langer van belang zijn voor de kwalificatie van het soort personenvennootschap: de vennootschap onder firma54 en de openbare maatschap zouden samengevoegd worden tot één rechtsvorm: de openbare vennootschap. De vennoten van de openbare vennootschap zouden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de schulden van de vennootschap. Dit zou voor beroepsbeoefenaren dus een aanzienlijke verzwaring van hun aansprakelijkheid betekenen en dit was dan ook, naast de andere punten die in paragraaf 1.2.2 zijn besproken, een van de vernieuwingen uit het wetsvoorstel waar de nodige kritiek op is geuit.1
Ook zonder (en al (ver) voor) de komst van titel 7.13 worden de aansprakelijkheidsrisico’s die beroepsbeoefenaren lopen echter als bezwaarlijk ervaren.2 Een arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013 maakte deze risico’s nog eens duidelijk.3 In deze uitspraak zette de Hoge Raad de verschillende aansprakelijkheidsgronden voor beroepsbeoefenaren onder elkaar en bracht de, wat ‘vergeten’ maar toch al in 1993 ingevoerde4 regeling omtrent de hoofdelijke aansprakelijkheid van maten voor beroepsfouten van medematen (artikel 7:407 lid 2 BW) nog eens pijnlijk in herinnering. Sinds de uitspraak van maart 2013 heeft de rechtspraak niet stilgestaan; beroepsaansprakelijkheid en ook het antwoord op de vraag in hoeverre een rechtsvorm hiertegen (überhaupt) beschermt, zijn weer een ‘hot topic’. Er zijn sindsdien verschillende rechterlijke uitspraken over deze kwestie verschenen.5
In hoofdstuk 3 zal uitgebreid worden ingegaan op de specifieke aansprakelijkheidsrisico’s die beroepsbeoefenaren lopen.