Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/4
4 Goederen- én verbintenissenrecht
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 26-05-2025
- Datum
26-05-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD12873:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Köster 1964, p. 73.
Vgl. Kortmann 1973, p. 426-436.
De wetgever had er ook voor kunnen kiezen de overgang van vorderingen volledig in het verbintenissenrecht te regelen. Zwalve (Zwalve 2003 en Zwalve 2006, p. 253-254) heeft zo een volledig verbintenisrechtelijke regeling van de overgang van vorderingen bepleit.
Land 1861, p. 17.
Hamaker 1875.
Noot onder HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302 e.v. (Hollandsch Bloembollenkwekersgenootschap/Van der Ploeg en Van Zanten).
Vgl. Köster 1964, p. 74.
Een andere oorzaak is het hybridische karakter van een vordering op naam.1 Enerzijds, in zijn relatie tot de debiteur, heeft de rechthebbende van een vordering op naam een persoonlijk recht op een prestatie, dat hij uitsluitend jegens de debiteur kan laten gelden. Anderzijds is de rechthebbende tot een vordering in zijn relatie tot ‘ieder ander’ de absoluut rechthebbende van die vordering. Hij is, hoewel het huidige Burgerlijk Wetboek de eigendom van vorderingsrechten niet kent,2 te beschouwen als de eigenaar van de vordering.3 De overdracht en de verpanding van vorderingen op naam zijn in ons recht goederenrechtelijke rechtsfiguren.4 Het is overigens nog niet zo heel lang geleden dat juristen er moeite mee hadden om een persoonlijk recht als voorwerp van een goederenrechtelijk recht te zien. Zo zag Land een pandrecht op een vordering op naam als een persoonlijk recht.5 Zijn tijdgenoot Hamaker beschouwde een pandrecht op een vordering op naam al wel als een zakelijk recht.6
Het hybridische karakter van een vordering op naam is treffend verwoord door P. Scholten:
“Het is juist het eigenaardige van het vorderingsrecht dat het niet is losgemaakt van het geheel van de feiten, die tot zijn ontstaan aanleiding gaven. Dit is alleen anders, indien de vordering in een voor overdracht bestemd papier is belichaamd. (...) Hier is van de ontstaansfeiten ten aanzien van latere verkrijgers geabstraheerd. Soortgelijke abstractie heeft bij den eigendom plaats. (...) [Mij] bindt (...) wat mijn voorganger in het vorderingsrecht omtrent de vordering bedongen [heeft], (...) terwijl ik vrij sta - behoudens de vestiging van zakelijke rechten en de zakelijke werking van zekere overeenkomsten, - tegenover wat mijn voorganger in den eigendom goed vond toe te zeggen.”7
Daar komt nog bij dat een vordering op naam vrijwel steeds zal zijn ingebed in een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de debiteur en de crediteur van de vordering die méér omvat dan de vordering op naam als zodanig. Gevolg hiervan is, dat overdracht of verpanding van een vordering op naam kan leiden tot tal van vragen over de gevolgen van de overdracht of verpanding voor die gehele rechtsverhouding. Immers: door verpanding of cessie van een vordering wordt deze min of meer afgesplitst van de rechtsverhouding waar zij uit voortkomt, maar zij komt daar nooit geheel van los.8