Stelplicht & Bewijslast (Archief)
Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:86 BW:Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid vervreemder bij overdracht roerende zaak, niet-registergoed, of recht aan toonder of order
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:86 BW
Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid vervreemder bij overdracht roerende zaak, niet-registergoed, of recht aan toonder of order
mr. M.M.M. Tillema, actueel t/m 29-10-2025
29-10-2025
01-01-1992 tot: -
mr. M.M.M. Tillema
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:86 BW
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 86
Vereisten voor bescherming (lid 1)
Art. 3:84 lid 1 BW bepaalt dat voor overdracht van een goed een levering krachtens geldige titel door een beschikkingsbevoegde is vereist. Art. 3:86 BW bevat een uitzondering op het vereiste van de beschikkingsbevoegdheid. Wanneer de oorspronkelijke rechthebbende de verkrijger aanspreekt uit hoofde van zijn oorspronkelijke recht, kan de verkrijger zich beroepen op de bescherming van art. 3:86 lid 1 BW.
Hieronder zal eerst de situatie tot uitgangspunt worden genomen die in de praktijk het meeste voorkomt, namelijk die waarin de oorspronkelijke eigenaar op de voet van art. 5:2 BW een (roerende, niet-register)zaak opeist van een derde-verkrijger, die de zaak in zijn bezit heeft.
Wegwijsplicht
Art. 3:87 BW kent – ook los van de goede trouw van de verkrijger ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder – een aanvullende verplichting tot informatie omtrent de persoon van de vervreemder, wel aangeduid als wegwijsplicht. De verkrijger dient desgevraagd binnen drie jaar na zijn verkrijging de gegevens te verstrekken die nodig zijn om de vervreemder terug te vinden of die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Als hij daar niet aan voldoet, vervalt voor hem de bescherming van art. 3:86 BW. De wegwijsplicht geldt niet ten aanzien van geld.
Andere gevallen dan revindicatie van roerende zaken
Voor het opvorderen van een toonder- of orderpapier door de oorspronkelijk rechthebbende op de vordering waar het papier op ziet, zal mutatis mutandis hetzelfde gelden als wat hiervoor is gezegd over revindicatie van roerende zaken. Ten aanzien van wissels, orderbriefjes en cheques gelden afwijkende regels. Zie respectievelijk art. 115, 176 en 198 WvK. Voor cognossementen gelden art. 8:441 en 8:940 BW. Voor bepaalde cultuurgoederen kennen art. 3:86a en 86b BW een – op een Europese Richtlijn gebaseerde – bijzondere regeling.
Er zijn uiteraard ook andersoortige vorderingen denkbaar waarbij een beroep op art. 3:86 BW een rol kan spelen, bijvoorbeeld in het kader van een verweer tegen een door de oorspronkelijke eigenaar tegen een verkrijger ingestelde vordering uit onrechtmatige daad, strekkende tot schadevergoeding. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een zaak door toedoen van de verkrijger teniet is gegaan en de oorspronkelijke eigenaar de verkrijger verwijt onrechtmatig jegens hem te hebben gehandeld. Wanneer de verkrijger zich er in het kader van zijn verweer op beroept dat hij eigenaar van de zaak was geworden, zullen ook in een dergelijk geval stelplicht en bewijslast op het punt van de eigendomsverhoudingen langs dezelfde lijnen verlopen.
Reikwijdte
Art. 3:86 lid 1 BW is van overeenkomstige toepassing bij verkrijging van beperkte rechten op de in lid 1 genoemde goederen (in de praktijk: vruchtgebruik; voor de pandhouder geldt de bijzondere regeling van art. 3:298 lid 1 BW) en aandelen in die goederen (art. 3:98 respectievelijk 3:96 BW).
Bescherming tegen beperkte rechten (lid 2)
Als er een beperkt recht rust op een roerende niet-registerzaak of een recht aan toonder (vruchtgebruik, pandrecht) en dit goed wordt overgedragen, vervalt dit recht als de verkrijger dit niet kende of behoorde te kennen. Lid 2 beoogt evenals lid 1 te beschermen tegen een beschikkingsonbevoegde vervreemder en ziet zowel op de situatie dat de vervreemder volledig onbevoegd was over het goed te beschikken als op de situatie dat de vervreemder slechts bevoegd was het goed met inachtneming van het beperkte recht te vervreemden. Voor bescherming op grond van lid 2 gelden dezelfde vereisten als voor bescherming op grond van lid 1.
Degene die een vordering instelt uit hoofde van het beperkte recht zal bij betwisting van het bestaan daarvan zijn oorspronkelijke recht moet bewijzen.
Met ‘kennen of behoren te kennen’ wordt hetzelfde bedoeld als met goede trouw in lid 1. Ook voor de stelplicht en bewijslast zal hetzelfde gelden. Als de eigenaar een goed vervreemdt dat zich onder de vruchtgebruiker of pandhouder bevond, zal de verkrijger in het algemeen onderzoek moeten doen naar de reden waarom het goed zich daar bevond.