Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.1
6.1 Inleiding
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS594991:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 2001b, p. 13-14; Hijma/Olthof 2014/4.77.
Zoals bij Tjittes 2001b, p. 12-18 en Valk 2012, p. 766-767.
Zie voor toepassingen in de jurisprudentie: Hof Leeuwarden 30 mei 2001, NJ 2001/677 (Amev/Roggen), r.o. 7. en Rb Breda 29 september 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN8670, r.o. 3.7 en 3.9.
Bloembergen 1986, p. 40; Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/81; Van Schaick 2011/41.
HR 23 januari 1998, NJ 1999/97, r.o. 3.4.2.
Delen van een eerdere versie van dit hoofdstuk zijn gepubliceerd in Contracteren 2015-02, p. 34-41. Daarin komen ook onderwerpen aan de orde die voor rechtspersonen minder relevant zijn.
136. Voor het toerekenen van de kennis van een gevolmachtigde aan de volmachtgever bestaat een wettelijke grondslag: art. 3:66 lid 2 BW. Is de volmachtgever een rechtspersoon en wordt de rechtshandeling verricht door een functionaris met toereikende volmacht, dan kan aan de hand van dit artikellid worden bepaald of de kennis van de functionaris heeft te gelden als die van de rechtspersoon. Een toetsing aan de verkeersopvattingen is niet nodig. Art. 3:66 lid 2 BW luidt:
“Voor zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten van belang is voor de geldigheid of gevolgen van een rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever, de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en de bepaling van haar inhoud.”
In art. 3:66 lid 2 BW is de zogeheten ‘leer van het grootste aandeel’ neergelegd.1 Art. 3:66 lid 2 BW wordt in de literatuur vaak slechts behandeld in het kader van de toerekening van kennis van externe vertegenwoordigers, 2 maar geldt evenzeer voor functionarissen die deel uitmaken van de organisatie van de rechtspersoon. Art. 3:66 lid 2 BW is niet alleen van toepassing op gevolmachtigden, maar ook op pseudogevolmachtigden in de zin van art. 3:61 lid 2 BW. Dit volgt uit het systeem van de wet.3
Het klassieke voorbeeld van toepassing van art. 3:66 lid 2 BW is de gevolmachtigde die een antieke kast koopt. In de ene casus heeft de gevolmachtigde opdracht om een door de volmachtgever specifiek aangewezen kast te kopen. Die blijkt na aankoop niet antiek te zijn, hoewel de volmachtgever dat wel veronderstelde. Voor de beoordeling van zijn beroep op dwaling moet op grond van art. 3:66 lid 2 BW worden gekeken naar de wijze waarop de volmachtgever tot zijn veronderstelling kwam.4 De beslissing om juist deze kast te kopen, komt immers van hem. De kennis van de gevolmachtigde doet in beginsel niet ter zake. In de andere casus heeft de gevolmachtigde alleen de opdracht om ‘een’ antieke kast van een bepaalde stijl en afmeting te kopen en gaat de gevolmachtigde er bij de aankoop ten onrechte van uit dat de kast antiek is. In dat geval is voor de beoordeling van het beroep op dwaling de geestestoestand van de gevolmachtigde van belang. Ook als de volmachtgever de kast direct zou hebben herkend als een reproductie, staat dat een beroep op dwaling niet in de weg.
Een bekende toepassing van art. 3:66 lid 2 BW in de jurisprudentie is Jans/FCN, waarin de Hoge Raad oordeelde dat, indien de huurverkoper namens een financier een leningovereenkomst sluit met de huurkoper, de kennis van de huurverkoper over een gebrek in de verkochte en gefinancierde zaak wordt toegerekend aan de financier.5
137. Art. 3:66 lid 2 BW kan zowel dienen ter bescherming van de wederpartij als van de volmachtgever. De wederpartij wordt beschermd tegen een beroep van de volmachtgever op onwetendheid, indien de onwetendheid van de volmachtgever voortvloeit uit het feit dat zijn gevolmachtigde hem niet goed heeft geïnformeerd. Dat komt voor risico van de volmachtgever. De wederpartij wordt ook beschermd tegen een beroep van de volmachtgever op onwetendheid, indien de volmachtgever wel degelijk beschikte over de relevante kennis, maar een onwetende gevolmachtigde heeft ingezet, terwijl de volmachtgever wel betrokken bleef bij de totstandkoming van de rechtshandeling. De volmachtgever wordt beschermd wanneer hij niet of nauwelijks betrokken was bij de totstandkoming van een rechtshandeling, maar zijn wederpartij zich er niettemin op beroept dat de volmachtgever bepaalde relevante kennis had. Wanneer de volmachtgever het verrichten van een bepaalde rechtshandeling overlaat aan een gevolmachtigde en zich daar verder niet mee bemoeit, zal de aanleiding om bepaalde informatie met de gevolmachtigde te delen, vaak ontbreken. Het is niet altijd te voorzien welke kennis relevant zal worden voor een te verrichten rechtshandeling. Dan moet die kennis niet alsnog aan de volmachtgever kunnen worden tegengeworpen.
138. Niet in alle gevallen waarin de rechtspersoon een rechtshandeling verricht, zal helder zijn of en in hoeverre de kennis van functionarissen in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de inhoud of gevolgen van die rechtshandeling. Over de toepassing van art. 3:66 lid 2 BW bieden de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie maar weinig helderheid. In dit hoofdstuk laat ik zien welke vragen bij die toepassing kunnen rijzen en hoe die naar mijn mening zouden moeten worden beantwoord.6 Sommige van die vragen zijn toegespitst op de rechtspersoon als volmachtgever, andere zijn meer algemeen van aard, maar wel mede van belang voor rechtspersonen.
Het equivalent van art. 3:66 lid 2 BWin het Duitse recht, § 166 BGB, is voor Meijers een inspiratiebron geweest bij het ontwerp van (de voorloper van) art. 3:66 lid 2 BW. De Duitse jurisprudentie en rechtsliteratuur bevatten overwegingen over de toepassing van § 166 BGB die inspiratie kunnen bieden voor het beantwoorden van vragen over de toepassing van art. 3:66 lid 2 BW. Om die reden belicht ik in par. 6.2 eerst de ontstaansgeschiedenis van art. 3:66 lid 2 BW. In par. 6.3 wordt vervolgens ingegaan op de betekenis en toepassing van art. 3:66 lid 2 BW. Daarbij ga ik, waar toepasselijk, in op de wijze waarop in het Duitse recht tegen het desbetreffende onderwerp wordt aangekeken. De vragen die daar aan de orde komen, zijn:
par. 6.3.1: is art. 3:66 lid 2 BW alleen van toepassing op feitenkennis of ook op deskundigheid?
par. 6.3.2: wat betekent een ‘aandeel in de totstandkoming van een rechtshandeling en de bepaling van haar inhoud’?
par. 6.3.2: wanneer de volmachtgever een rechtspersoon is, wiens kennis geldt dan als ‘kennis van de volmachtgever’?
par. 6.3.4: is art. 3:66 lid 2 BW ook van toepassing wanneer de gevolmachtigde tevens de wederpartij is van de volmachtgever?
par. 6.3.5: geldt art. 3:66 lid 2 BW ook voor de verhouding tussen gevolmachtigden onderling en bij ondervolmacht?
par. 6.3.6: welke gedragingen kunnen worden gerekend tot ‘het verrichten van een rechtshandeling’?
par. 6.3.7: geldt de kennis van de gevolmachtigde ook als die van de volmachtgever in een rechtsverhouding waarbij de gevolmachtigde niet betrokken is?
Eventuele analoge toepassing van art. 3:66 lid 2 BW op bestuurders en andere wettelijke of statutaire vertegenwoordigers van de rechtspersoon komt aan de orde in hoofdstuk 8.