Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.2.2
I.3.2.2 Definitie ‘economische activiteit’
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499033:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Economische activiteit is een begrip dat op meer plaatsen in het Unierecht voorkomt, maar niet noodzakelijk steeds dezelfde invulling kent. Zie, in algemene zin, Swinkels 2001, p. 125- 130. Inzake het mededingingsrecht: A. Jones & B. Sufrin, EC Competition Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2008, p. 128 e.v.; V. Rose & D. Bailey, Bellamy & Child. European Union Law of Competition, Oxford (GB): Oxford University Press 2013, nr. 2.003 e.v.
HR 2 mei 1984, BNB 1984/295 (Vluchtelingenwerk; m.nt. A.L.C. Simons).
Van Doesum 2009, p. 152. Zie omtrent de begrippen handeling en werkzaamheid par. 1.7.3. In artikel 2, lid 1, Btw-richtlijn zijn de belastbare feiten van de belasting opgesomd.
Zie ook Swinkels 2001, p. 134-135. Ook in het mededingingsrecht heeft ‘economische activiteit’ betrekking op de materiële onderneming. Artikel 101 VWEU bevat een verbod voor overeenkomsten tussen (onder andere) ondernemingen die de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en mededingingsverstorend zijn (kartelverbod). Een onderneming in de zin van deze bepaling omvat ‘elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd’. Zie HvJ 23 april 1991, zaak C-41/90, Jur. 1991, p. I-1979, r.o. 21 (Höfner & Elser/Macrotron). Zie nader A. Jones & B. Sufrin, EC Competition Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2008, p. 128 e.v.
Zie nader, weliswaar onder verwijzing naar de iets afwijkende tekst van artikel 4 Zesde Richtlijn: Swinkels 2001, p. 135-138.
Opgemerkt zij dat het Hof van Justitie in de zaak VNLTO de frase ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ in artikel 26, lid 1, Btw-richtlijn niet hetzelfde heeft geacht als ‘voor doeleinden buiten het kader van de economische activiteit’.
Zie ook Terra & Kajus 2016, onderdeel 3.2.3.
Het begrip ‘economische activiteit’ komt voor en wordt gedefinieerd in artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn.1 De eerste volzin hiervan bepaalt dat eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, belastingplichtige is. Volgens de tweede volzin worden als economische activiteit (enkelvoud!) beschouwd ‘alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverlener, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen’. Uit de derde volzin blijkt dat ook ‘de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen’ een economische activiteit is, en wel ‘in het bijzonder’. In de definitie van ondernemer in de nationaalrechtelijk pendant van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn, artikel 7 Wet OB 1968, komt het begrip ‘economische activiteit’ niet voor. Desondanks speelt het ook bij de interpretatie van artikel 7 Wet OB 1968 een belangrijke rol. De Hoge Raad heeft namelijk in BNB 1984/295 beslist dat de Nederlandse wetgever geen van het begrip ‘belastingplichtige’ afwijkende betekenis heeft willen toekennen aan het begrip ‘ondernemer’ in artikel 7 Wet OB 1968.2 Oftewel, artikel 7 Wet OB 1968 moet richtlijnconform worden uitgelegd.
De betekenis die het begrip ‘economische activiteit’ in de jurisprudentie en in de literatuur krijgt, is niet altijd even helder en consistent. Van Doesum constateert dat ook. Hij stelt dat economische activiteit de betekenis kan hebben van (i) handeling; (ii) werkzaamheid; en (iii) belastbare handeling zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, Btw-richtlijn.3 Naar mijn mening is echter de juiste betekenis die van een bedrijfs- of beroepsuitoefening of exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Een economische activiteit is immers een activiteit die een persoon of entiteit tot ondernemer maakt. Het ligt voor de hand dat een dergelijke activiteit meer behelst dan een enkele handeling of werkzaamheid. Ook het gebruik van het woord ‘alle’ in de tweede volzin van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn geeft aan dat een economische activiteit een geheel van werkzaamheden is. ‘Alle’ verwijst naar een gehele hoeveelheid, anders dan ‘iedere’ of ‘elke’. Een economische activiteit is, kortom, het geheel van werkzaamheden van een ondernemer en bevindt zich derhalve op een hoger abstractieniveau dan een werkzaamheid of handeling.4
Een vergelijking met andere taalversies van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn leidt niet tot een ander inzicht. Zo is ‘alle werkzaamheden’ in de Engelse taalversie vertaald als ‘any activity’ en in de Franse taalversie als ‘toute activité’.5 Andere bepalingen uit de Btw-richtlijn bieden eveneens steun voor mijn opvatting. Zo stelt artikel 18, aanhef, onderdeel c, met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijk ‘(…) het onder zich hebben van goederen door een belastingplichtige (…) wanneer hij zijn belastbare economische activiteit beëindigt (…)’. Verder geeft artikel 287, aanhef en nummer 13, Malta de bevoegdheid belastingplichtigen met een omzet lager dan € 37.000 vrij te stellen ‘wanneer de economische activiteit voornamelijk bestaat uit goederenleveringen’. Ten slotte verwijst de Franse richtlijntekst in artikel 44 (betreffende de plaats van dienst) naar ‘le siège de son activité économique’ in plaats van naar ‘zetel van zijn bedrijfsuitoefening’ in de Nederlandse taalversie.
Vertaald naar de terminologie van de Wet OB 1968 zijn een ‘bedrijf’, een ‘beroep’ en een ‘exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen’ economische activiteiten. Immers, het bedrijf, het beroep en de genoemde exploitatie verwijzen in artikel 7 Wet OB 1968 naar de activiteit die een ondernemer uitoefent.6 Daarbij geeft de omschrijving van de activiteit van een ondernemer in de Wet OB 1968 misschien nog wel duidelijker dan de Btw-richtlijn zelf aan wat een economische activiteit globaal bezien is: het drijven van een onderneming, het uitoefenen van een beroep of het exploiteren van een lichamelijke of onlichamelijke zaak (vermogensbestanddeel) om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.7