Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.7.4
7.3.7.4 De verhouding tussen dwaling, uitleg en redelijkheid en billijkheid
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374393:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Erfrecht 2011, p. 119.
Rb. Haarlem 19 maart 2008, NJF 2008/374; Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NK:GHAMS:2011:BU1969; HR 11 oktober 2013, RvdW 2013/1192.
De formulering van de rechtbank had moeten zijn dat ongewijzigde instandhouding gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Handboek Erfrecht 2011, p. 119 en p. 209.
Handboek Erfrecht 2011, p. 20; Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 304 (MvA) en p. 306 (MvA I).
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 304 (MvA).
Zie HR 31 januari 1997, NJ 1998/327.
Groene Serie Erfrecht, art. 4:52 BW, aant. 1, W. Breemhaar.
In HR 11 oktober 2013, RvdW 2013/1192 oordeelden hof en Hoge Raad ook dat een beschikking verviel omdat die niet overeenstemde met de veronderstelde bedoeling van de erflaatster.
Breemhaar 1992, p. 98. Zie ook Asser/Perrick 4 2013/179.
319. De leerstukken dwaling, uitleg en redelijkheid en billijkheid hangen nauw met elkaar samen. Dat blijkt al uit het feit dat niet altijd duidelijk zal zijn of een passage in een uiterste wilsbeschikking moet worden gezien als een beweegreden, of als een nadere aanduiding van een persoon. Als een erflater bepaalt dat hij zijn bibliotheek nalaat aan ‘X, mijn beste vriend’, moet op grond van uitleg worden bepaald of het zijn van beste vriend cruciaal was voor het legaat, dan wel dat die woorden alleen dienen ter identificatie van X. In het eerste geval zou namelijk de uiterste wilsbeschikking mogelijk vernietigd kunnen worden wegens dwaling in de beweegreden.1
Illustratief is de volgende zaak.2 Een vrouw maakte in 1980 een uiterste wilsbeschikking waarin ze haar broer (W) als enig erfgenaam aanwees. In 1993 trouwde de vrouw in gemeenschap van goederen met E. Toen de vrouw in 2004 overleed, rees tussen broer W en echtgenoot E een geschil over de nalatenschap. De rechtbank Haarlem was van oordeel dat de bewoordingen van de erfstelling duidelijk waren, ook als (zoals art. 4:46 lid 1 BW vereist) acht werd geslagen op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wilde regelen. De vrouw wilde haar ouders onterven en daarin slaagde zij door haar broer tot enig erfgenaam te benoemen. Dat daarmee haar echtgenoot met lege handen kwam te staan, kon niet met behulp van uitleg worden opgelost. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat sprake was geweest van een rechtsdwaling: de vrouw had gedacht dat haar echtgenoot door in gemeenschap van goederen te trouwen automatisch haar enige erfgenaam zou worden. Nu dit echter niet duidelijk werd uit de uiterste wilsbeschikking, kon de echtgenoot zich niet beroepen op art. 4:43 lid 2 BW. De rechtbank oordeelt ten slotte dat het door de rechtsdwaling in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid om de rechtsgevolgen van de uiterste wilsbeschikking ongewijzigd te laten.3 De rechtsgevolgen moeten volgens de rechtbank dan ook aan de erfstelling worden onthouden. Het Hof Amsterdam zag wel ruimte voor uitleg. De erfstelling had volgens het hof geen duidelijke zin, omdat uit de akte niet bleek of de vrouw had gewild dat haar broer onder alle omstandigheden erfgenaam zou zijn. Vanwege het ontbreken van die duidelijke zin mocht het hof op grond van art. 4:46 lid 2 BW daden of verklaringen van buiten de uiterste wil gebruiken om het document uit te leggen. De echtgenoot slaagde in zijn bewijsopdracht dat de primaire wens van de vrouw was haar ouders te onterven en dat zij haar broer tot erfgenaam had benoemd, omdat zij geen alternatief zag. De vrouw had geen rekening gehouden met en dus geen testamentaire beschikking gemaakt voor de situatie waarin zij verkeerde op het moment van haar overlijden, namelijk dat haar ouders waren overleden en zijzelf (volgens de echtgenoot gelukkig) getrouwd was. Zij meende dat door het huwelijk haar echtgenoot erfgenaam zou zijn. Het hof neemt aan dat de in de uiterste wilsbeschikking opgenomen erfstelling niet bedoeld was voor de gewijzigde omstandigheden en haar belang had verloren na het huwelijk. De erfstelling acht het hof dan ook vervallen, zodat de broer geen aanspraak kan maken op de nalatenschap. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand.
Hoewel de wet dus beperkte mogelijkheden biedt voor vernietiging op grond van dwaling, kon dit geval waarin feitelijk dwaling aan de orde is, maar dat niet valt onder art. 4:43 lid 2 BW, toch via twee andere wegen worden opgelost.
320. Een tweede context waarin dwaling en uitleg dicht bij elkaar liggen, is de zogenoemde ‘ex-echtgenotenproblematiek’ die is geregeld in art. 4:52 BW. Een beschikking ten gunste van degene met wie de erflater is gehuwd of met wie hij trouwbeloften heeft uitgewisseld op het moment van testeren vervalt door echtscheiding, tenzij uit de uiterste wil zelf anders kan worden afgeleid.4 Deze situatie wordt door F. Schols beschouwd als een specifiek geval van dwaling.5 Anders dan in art. 4:43 lid 2 BW is niet vereist dat de beweegreden voor het maken van de beschikking in de uiterste wil is aangeduid en evenmin dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt als hij had geweten van de onjuistheid van de veronderstelling.6 In de parlementaire geschiedenis wordt verondersteld dat de beslissende beweegreden voor het maken van de beschikking ten gunste van de echtgenoot is de verwachting dat het huwelijk op het moment van overlijden nog in stand zou zijn.7 Aangezien de erflater daarmee is uitgegaan van een veronderstelling die achteraf onjuist is gebleken, valt deze situatie binnen de beschrijving in de Toelichting Meijers van het dwalingsbegrip van art. 4:43 lid 2 BW.
Men zou het in art. 4:52 BW beschreven geval echter ook kunnen kwalificeren als een specifieke regel van uitleg.8 Het gaat immers om de veronderstelde wil van de erflater, dat hij na echtscheiding geen beschikkingen wil handhaven die de ex-echtgenoot begunstigen, tenzij anders bepaald is. Zo vatten Breemhaar9 en Perrick10 het artikel ook op. Voor het kwalificeren van art. 4:52 BW als uitlegregel en niet als dwalingsgeval pleit dat dwaling vernietigbaarheid van de aan te tasten rechtshandeling tot gevolg heeft, en dat dit niet de sanctie is die de wet in art. 4:52 BW oplegt. Een beschikking ten gunste van een echtgenoot is niet vernietigbaar, maar vervalt op het moment van echtscheiding.11
321. De werking van art. 4:52 BW is beperkt tot de ex-echtgenoot (of, via art. 4:8 BW, de ex-geregistreerde partner) en rept niet van andere levensgezellen of ex-schoonfamilie. In die gevallen, net als wanneer het gaat om bijvoorbeeld een zakenpartner met wie de samenwerking wordt opgezegd, een bloedverwant die geen familie blijkt te zijn, of een vriend met wie men gebrouilleerd raakt, wordt teruggevallen op de algemene regeling van art. 4:46 BW, wat de verwantschap tussen art. 4:52 BW en het uitlegleerstuk bevestigt. Breemhaar stelt dat, als echtgenoten scheiden en vervolgens met elkaar hertrouwen, de beschikking niet vervalt, aangezien art. 1:166 BW bepaalt dat de gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven alsof er geen echtscheiding heeft plaatsgevonden.12 Ik ben het eens met deze uitkomst, en zou niet alleen art. 1:166 BW daaraan ten grondslag leggen, maar ook hier naar de veronderstelde wil kijken. Een redelijke uitleg is immers dat hertrouwden elkaar als erfgenaam zullen willen, in elk geval als van die wil in enige uiterste wilsbeschikking is gebleken.