De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.6.1:7.3.6.1 Wijziging van legaat
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.6.1
7.3.6.1 Wijziging van legaat
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375597:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. BW Boek 4, p. 2032 (MvT). Zie ook Handboek Erfrecht 2011, p. 202.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
312. Art. 4:123 BW bepaalt dat de rechter verbintenissen uit legaat kan wijzigen of (gedeeltelijk) opheffen, op verzoek van de legataris of degene die met het legaat is belast, op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden, als gevolg waarvan de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten. Ook een last kan door de rechter worden gewijzigd of (gedeeltelijk) opgeheven, zo blijkt uit art. 4:134 BW, op verzoek van degene op wie de last rust of van het Openbaar Ministerie. Eén van de gronden voor wijziging of (gedeeltelijke) opheffing is dat de omstandigheden na het overlijden van de erflater zijn gewijzigd. Hierbij wordt echter niet de maatstaf van redelijkheid en billijkheid aangelegd. De last wordt gewijzigd indien het uit het oogpunt van de betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn de last ongewijzigd in stand te laten. Het gaat bij art. 4:134 BW niet zozeer om wat de redelijkheid en billijkheid tussen partijen meebrengt, maar om het kunnen aanpassen van een last die door gewijzigde omstandigheden bijvoorbeeld zijn zin heeft verloren, niet meer overeenstemt met de bedoeling van de erflater, of moet worden aangepast aan de maatschappelijke strekking of het algemeen belang.1 Dit is verdedigbaar. Met een last wordt immers niet beoogd een vorderingsrecht toe te kennen aan degene die wordt begunstigd door de last. Daartoe dient het legaat. Degene die de last moet uitvoeren is geen schuldenaar, evenmin als degene die wordt begunstigd door de last, schuldeiser is. Hun verhouding wordt dus niet krachtens art. 6:2 BW beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Een voorbeeld. Erflater A benoemt zijn goede vriend B tot enig erfgenaam, maar verbindt daaraan de last dat B gedurende tien jaar een geldbedrag moet doneren aan een gespecificeerd goed doel. Als op enig moment het aangewezen goede doel in opspraak komt door fraude met donaties, kan B de rechter verzoeken de last op te heffen of te wijzigen, zodat een ander goed doel begunstigde van de last wordt. De rechter zal dat verzoek moeten beoordelen niet door te kijken naar wat de redelijkheid en billijkheid tussen B en het goede doel eist, maar door te bezien of nog op een goede manier invulling wordt gegeven aan de bedoeling van A en of het algemeen belang is gediend met het op deze manier uitvoeren van de last. Overigens betwijfel ik of de maatstaf van art. 4:134 BW in de praktijk anders uitpakt dan de toets van redelijkheid en billijkheid, nu ook bij art. 4:134 BW de betrokken persoonlijke belangen reden kunnen zijn tot wijziging of opheffing van de last.