Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.4
7.3.4 De uiterste wilsbeschikking als bron van verbintenissen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381631:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012/6.
Art. 4:182 lid 2 BW.
Aanvaarding is niet vereist om het vorderingsrecht te doen ontstaan. Dit heeft er volgens Reinhartz mee te maken dat aangenomen wordt dat de legataris het legaat zal willen aanvaarden, nu het legaat doorgaans een voordeel oplevert voor de legataris (Groene Serie Erfrecht, art. 4:201 BW, aant. 2). Reinhartz acht dit in overeenstemming met andere potentieel bevoordelende rechtshandelingen, zoals de schenking ex art. 7:175 BW en het omzetten van een natuurlijk verbintenis in een afdwingbare ex art. 6:5 BW. De werking van die artikelen is echter anders, nu schenking en omzetting overeenkomsten zijn en dus aanvaarding vereist is (al is de drempel laag voor het aannemen van aanvaarding). Zie daarover nader nr. 23.
HR 21 november 2008, NJ 2009/116, AAe 2009, p. 44 m.nt. Nuytinck.
B. Schols 2007, p. 114.
298. Een uiterste wilsbeschikking heeft (beoogde) rechtsgevolgen. De vermogensposities van de erfgenamen veranderen. Maar schept een uiterste wilsbeschikking ook verbintenissen? Ik roep de definitie van Hartkamp & Sieburgh van het begrip ‘verbintenis’ in herinnering: een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze ander tot die prestatie verplicht is.1 De vraag is dus of een uiterste wilsbeschikking tot gevolg heeft dat aan één persoon een vermogensrechtelijke verplichting wordt opgelegd, waartoe de ander gerechtigd is.
Erfstelling
299. Het rechtsgevolg van een erfstelling is dat na overlijden de aangewezen erfgenaam de erflater onder algemene titel in zijn vermogen opvolgt. Doordat de nalatenschap op het moment van overlijden onmiddellijk onderdeel wordt van het vermogen van de erfgenaam, is geen sprake van een verbintenis. Er is geen verplichting, waartoe de erfgenaam gerechtigd is.
De erfgenaam wordt van rechtswege schuldenaar (in beginsel naar evenredigheid van zijn erfdeel) van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan.2 De erfstelling schept echter geen verbintenis, maar doet slechts een reeds bestaande verbintenis van de erflater overgaan op de erfgenaam.
Legaat
300. Met een legaat creëert de erflater een vorderingsrecht. De erfgenaam heeft recht op nakoming van hetgeen de erflater hem in de uiterste wil heeft beloofd. Spiegelbeeldig ontstaat een verplichting tot nakoming voor de gezamenlijke erfgenamen. Er is dus een vermogensrechtelijke betrekking tussen de legataris en de erfgenamen, op grond waarvan de legataris gerechtigd is tot een prestatie en de erfgenamen verplicht zijn die prestatie te verrichten.3
Last
301. Met een last legt de erflater een verplichting op. Iemand kan worden bevoordeeld doordat de last wordt uitgevoerd. Wat echter ontbreekt, is dat diegene niet gerechtigd is tot een prestatie. Hij kan geen nakoming vorderen van de last.
302. Bij uiterste wilsbeschikking kan een executeur benoemd worden, die tot taak heeft het beheer over de goederen van de boedel te voeren en de nalatenschap af te wikkelen. De executeur mag naar eigen inzicht het beheer voeren en keuzes maken, maar moet de zorg betrachten van een goed executeur. Bij schending van deze zorgplicht kan hij aansprakelijk worden gesteld.4 B. Schols ziet de benoeming van een excuteur als bron van een erfrechtelijke verbintenis.5 Mijns inziens roept het opleggen van de zorgplicht echter geen afdwingbaar vorderingsrecht in het leven. Er is geen sprake van een vermogensrechtelijke betrekking, op grond waarvan de één gerechtigd is tot het verrichten van een prestatie en de ander daartoe gerechtigd is.