Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.1
III.10.1 Inleiding
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377661:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Er kan ook voor worden gekozen niet één omgevingsvergunning voor het gehele project aan te vragen, maar gebruik te maken van deelvergunningen voor fysiek te scheiden onderdelen van het project (vgl. art. 2.7 lid 1 Wabo). Het ziet er naar uit dat dit onder de nog in werking te treden Omgevingswet zal veranderen. In art. 5.7 lid 1 van het wetsvoorstel voor de Omgevingswet is het volgende bepaald: ‘Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op één of meer activiteiten betrekking hebben.’ Zie hierover onder meer Lam 2014, p. 952. Zie over de Omgevingswet nader paragraaf 10.2.3.
Zie voor de begrippen volledige en incidentele integratieKamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 16 e.v. Zie hierover voorts Nijmeijer, Hillegers en Lam 2013, p. 13 e.v.
Zie voor een overzicht van de geïntegreerde en aangehaakte toestemmingsstelsels die onder het bereik van de Wabo vallen ‘Overzicht reikwijdte omgevingsvergunning Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Ministerie van I&M, november 2010 (te raadplegen via www.infomil.nl).
In dit hoofdstuk staat de intrekkingsregeling zoals neergelegd in de Wabo centraal. De Wabo is een zogenaamde integratiewet. Dat betekent dat in deze wet diverse toestemmingsstelsels die voorheen in afzonderlijke wetten waren opgenomen, zijn geïntegreerd in één wet. Het betreft zowel toestemmingsstelsels op rijksniveau (artikel 2.1 Wabo) als op decentraal niveau (artikel 2.2 Wabo). In de Wabo is voorts een nieuw type vergunning geïntroduceerd: de omgevingsvergunning. Er geldt een vergunningplicht voor plaatsgebonden activiteiten welke van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Waar voor inwerkingtreding van de Wabo verschillende vergunningen moesten worden aangevraagd voor het uitvoeren van een bepaald project, kan onder de Wabo worden volstaan met één omgevingsvergunning waarin meerdere toestemmingen zijn opgenomen.1 Naast volledig geïntegreerde toestemmingsstelsels kent de Wabo ook de figuur van het ‘aanhaken’ (ook wel incidentele integratie genoemd).2 Daarvan is sprake indien voor een plaatsgebonden activiteit naast een omgevingsvergunning ook een andere vergunning nodig is, op basis van een wettelijke regeling die niet is geïntegreerd in de Wabo. Laatstgenoemde vergunning gaat dan voor die concrete activiteit op in de omgevingsvergunning.3
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Het eerste gedeelte is beschrijvend van aard. Bezien wordt welke mogelijkheden de Wabo biedt om een omgevingsvergunning in te trekken en te wijzigen. Achtereenvolgens worden de paragrafen 2.6 en 5.4 van de Wabo besproken. Paragraaf 2.6 bevat bepalingen inzake de beleidsmatige intrekking van de omgevingsvergunning, paragraaf 5.4 ziet op de bestuurlijke sancties, in het bijzonder de intrekking van een omgevingsvergunning bij wijze van sanctie. Aan het slot van het eerste gedeelte wordt voorts, zij het kort, aandacht besteed aan het wetsvoorstel voor een Omgevingswet, dat in juni 2014 naar de Tweede Kamer is gezonden. In het tweede gedeelte vindt een analyse van de intrekkingsregeling in de Wabo plaats in het licht van het theoretisch kader.