Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/1.1
1.1 Probleemstelling en belang van het onderzoek
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593820:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 mei 1990, NJ 1990/544 (Los Gauchos) en HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2) en (indirect) HR 7 oktober 2016, JOR 2016/325. Zie ook HR 11 november 2005, NJ 2007/231 (Ontvanger/Voorsluijs). Zie voor een analyse van deze arresten par. 5.6.
Op welk getal men uitkomt, is uiteraard afhankelijk van bepaalde keuzes, zoals het al dan niet meetellen van schakelbepalingen, het al dan niet kwalificeren van ‘opzet’ en ‘bedrog’ als verwijzingen naar de kennis van een der partijen, het tellen van de meerdere leden van een wetsartikel waarin kennis wordt genoemd als meerdere bepalingen en het al dan niet meetellen van definities (zoals de definitie van goede trouw in art. 3:11 BW). Voor de doeleinden van dit proefschrift is slechts de orde van grootte van het getal relevant.
Van Schilfgaarde 1984, p. 68. Zie hierover ook Jansen 2012a, p. 535. Vgl. De Grooth 1948, p. 8. Zie ook Ynzonides 1996, p. 144 over het geacht worden kennis te hebben genomen van een verstekvonnis na betekening daarvan in persoon en p. 152 over het geacht worden kennis te dragen van alle beslissingen in een verstekvonnis na een daad van bekendheid t.a.v. één beslissing. Zie PG Inv. Boek 3, p. 1098 over ‘kennen’ wanneer een huisgenoot een mededeling in ontvangst heeft genomen.
Van Schilfgaarde 1984, p. 68.
HR 11 november 2005, NJ 2007/231 (Ontvanger/Voorsluijs) r.o. 3.6.
1. Jansen koopt een landgoed. Na de levering blijkt de grond ernstig vervuild. Mag Jansen de koopovereenkomst vernietigen wegens dwaling? Niet als Jansen bij de aankoop al wist dat de grond zo vervuild was.
Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet. Want ‘Jansen’ is Jansen BV, een grote projectontwikkelaar die op het landgoed woningen wil ontwikkelen. En wanneer moet worden vastgesteld of een dergelijke organisatie een bepaald feit kent, doemen al gauw complicaties op. Die zijn er niet indien de vervuiling bekend was bij de statutair bestuurder van Jansen BV die de onderhandelingen over de koopovereenkomst voerde. Iedereen zal het er dan over eens zijn dat Jansen de benodigde wetenschap had. Maar wat nu als alleen een secretaresse op de afdeling crediteuren, die zich er niet eens van bewust was dat Jansen BV grond ging aankopen, toevallig van de vervuiling afwist? Vermoedelijk zouden velen vinden dat daarmee niet ook Jansen BV de vervuiling kende. Maar waarom niet, en waar de grens ligt, is allerminst duidelijk. Wat nu als een medewerkster van de divisie Woningbouw de vervuiling kende, maar die informatie niet heeft doorgegeven aan haar baas? Daarover is discussie mogelijk. Dat geldt voor allerlei varianten. Wat als alleen een oud-bestuurder van de vervuiling wist? Hoe oordelen we als zich in het archief van Jansen BV een onderzoeksrapport bevindt dat betrekking heeft op de grond, maar niemand binnen de vennootschap dat stuk kende? Hoe oordelen we als een bij de aankoop betrokken medewerker wel wist van de vervuiling, maar alleen omdat zijn zus bij de verkoper werkt, en zij haar mond voorbij gepraat heeft?
2. De Nederlandse wet, rechtspraak en literatuur bieden weinig aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag wat een rechtspersoon weet. Er bestaat geen (uitdrukkelijke) wettelijke grondslag voor de toerekening van de kennis van een functionaris van de rechtspersoon aan de rechtspersoon, behalve wanneer de functionaris als gevolmachtigde namens de rechtspersoon een rechtshandeling verricht (art. 3:66 lid 2 BW). De Hoge Raad heeft in enkele arresten geoordeeld dat de kennis van een functionaris moet worden toegerekend aan de rechtspersoon indien de kennis van die functionaris in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon, en dat de toerekening afhangt van de omstandigheden van het geval.1 Die arresten zijn, evenals lagere rechtspraak, toegespitst op individuele gevallen. Niet vast staat of alle vragen over de toerekening van kennis aan rechtspersonen kunnen en moeten worden beantwoord aan de hand van de opvattingen in het maatschappelijk verkeer, en evenmin wat die opvattingen inhouden. Ook is niet duidelijk welke omstandigheden in welke gevallen gewicht in de schaal leggen. Kortom: het ontbreekt aan een integrale visie op de problematiek, en daarmee aan handvatten voor de beoordeling van gevallen die in de jurisprudentie nog niet aan de orde zijn gekomen.
3. Dat is een gemis, omdat kennis in het burgerlijk recht zo’n centrale plaats inneemt. In een groot aantal situaties bepaalt de kennis die een partij heeft mede haar rechtspositie. Voorbeelden liggen voor het grijpen: de verjaringstermijn van vijf jaar voor een rechtsvordering tot schadevergoeding gaat niet lopen voordat de benadeelde bekend is met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon (art. 3:310 BW); een faillissementscurator kan een rechtshandeling van de gefailleerde (anders dan om niet) slechts vernietigen indien de wederpartij wetenschap van benadeling had (art. 42 Fw); indien de vervreemder van een roerende zaak beschikkingsonbevoegd is, wordt de verkrijger slechts eigenaar indien hij die beschikkingsonbevoegdheid kende noch behoorde te kennen (art. 3:86 jo3:11 BW); de klachtplicht met betrekking tot de non-conformiteit van een afgeleverde zaak gaat pas lopen nadat de koper die non-conformiteit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken (art. 7:23 BW). In de boeken 2, 3, 5, 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering tel ik meer dan 250 bepalingen2 waarin kennis van enig feit voorwaarde is voor het intreden van het rechtsgevolg dat de desbetreffende bepaling meebrengt. Ook voor toepassing van maatstaven die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld (zoals het Haviltex-criterium) is vaak van belang wat een partij wist of behoorde te weten.
4. Vaststellen wat een rechtspersoon weet, is problematisch. De reden daarvoor is ten eerste dat het begrip ‘kennis’ primair wordt begrepen als het resultaat van hersenactiviteit – en een rechtspersoon heeft geen hersens. De kennis van een rechtspersoon is per definitie toegerekende kennis. Op welke grondslag die toerekening moet plaatsvinden, is niet helder, zelfs niet in eenvoudige gevallen waarin evident is dat iemands kennis moet worden toegerekend. Het tweede probleem is dat de activiteiten van een rechtspersoon vaak worden uitgeoefend door meerdere individuen. Het is niet vanzelfsprekend dat de rechtspersoon geacht wordt alles te weten wat al die individuen weten. Dat roept de vraag op welke kennis van welke individuen kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Er zijn criteria nodig die bepalen in hoeverre de kennis van meerdere individuen kan worden ‘opgeteld’. Tot slot doet zich bij rechtspersonen het probleem voor dat de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon handelen, ook zelf rechtssubject zijn. Zij kunnen hun kennis opdoen in een andere hoedanigheid dan in die van functionaris van de rechtspersoon, bijvoorbeeld in hun privéleven of in een functie bij een andere organisatie. Zij kunnen ook tegelijkertijd handelen namens de rechtspersoon en als wederpartij van de rechtspersoon. Denk aan de bestuurder die de rechtspersoon oplicht door deze voor veel geld goederen te laten kopen van inferieure kwaliteit.
5. De hier gesignaleerde problemen zijn niet exclusief een probleem van rechtspersonen. Ook bij individuen is kennis meer dan een feitelijk, psychologisch gegeven. Kennis is in het recht altijd ook een juridisch begrip. Zoals Van Schilfgaarde schreef in 1984: weten betekent in ons recht altijd ‘redelijkerwijs geacht worden te weten’.3 Wanneer iemand de informatie weer vergeten is, of een aan hem gericht bericht niet heeft geopend, zal hem doorgaans geen beroep toekomen op onwetendheid:
“Of kan degene die zich op zijn goede trouw beroept […] zeggen: ja, ik wist het wel maar ik was het weer vergeten…. ik had bij het aangaan van de overeenkomst een black out…sorry!?
[…] Ook van degene die zijn bescherming pas verliest wanneer hij ‘weet’, wordt een zekere oplettendheid […] verwacht. Hij zal niet kunnen zeggen: ik was het weer vergeten, of: ik hield mijn oren dicht toen u mij dat vertelde, of: ik heb uw brief met geloken ogen gelezen.”4
Het oordeel dat een individu iets wist, is dus niet alleen een feitelijk oordeel en daarmee niet alleen een kwestie van bewijsrecht. Het is ook een juridisch oordeel. Niettemin zullen bij individuen het juridische en het psychologische kennisbegrip elkaar voor het grootste deel overlappen. De normatieve stap van vaststelling van de feiten naar een juridisch oordeel over de kennis van een natuurlijke persoon is meestal minder groot dan bij een rechtspersoon.
6. Een tweede nuancering is dat ook een natuurlijke persoon de voor zijn vermogen relevante activiteiten kan laten uitvoeren door meerdere individuen. Ook dan kan de vraag rijzen of de kennis van die individuen kan worden toegerekend aan de natuurlijke persoon. De kennis van die individuen zal dan echter altijd gelden als kennis van anderen die mogelijk aan de natuurlijke persoon wordt toegerekend. Uniek voor de rechtspersoon is dat de kennis van meerdere individuen kan gelden als eigen kennis van de rechtspersoon. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat externe kennis niet aan natuurlijke personen kan worden toegerekend aan de hand van hetzelfde criterium als dat waarmee interne kennis wordt toegerekend aan rechtspersonen.5
7. Tot slot kan ook een natuurlijke persoon die voor zichzelf handelt (in plaats van voor een rechtspersoon) in meerdere hoedanigheden kennis opdoen. Dit levert echter minder toerekeningproblemen op dan bij rechtspersonen, onder meer omdat zich bij de natuurlijke persoon niet de vraag voordoet of het individu dat – bijvoorbeeld – privékennis had, die kennis had moeten doorgeven aan een collega.
8. In dit proefschrift presenteer ik een integrale visie op de toerekening van kennis aan rechtspersonen in het burgerlijk recht. Daarmee bedoel ik dat de regels die ik voorstel, in beginsel toepasbaar zijn op alle gevallen waarin de vraag speelt welke kennis de rechtspersoon had. De hoofdvraag die leidend is geweest bij het onderzoek, is:
Wanneer heeft informatie die op enig moment binnen de rechtspersoon aanwezig is of is geweest, te gelden als kennis van de rechtspersoon?
Deze vraag valt uiteen in de volgende deelvragen:
Wat houdt het toerekenen van kennis aan een rechtspersoon in?
Wat zijn de ratio en de grondslag voor het toerekenen van kennis aan een rechtspersoon?
Zijn er gevalstypes te onderscheiden met een eigen beoordelingskader? En zo ja:
Zijn er vuistregels te formuleren voor die gevalstypes?
Welke omstandigheden dienen te worden meegewogen bij de beoordeling van de kennis van een rechtspersoon en welk gewicht dient aan die omstandigheden toe te komen?
Een integrale visie betekent niet: een uitputtende visie. De omstandigheden van elk geval dat zich in de toekomst kan voordoen, zijn immers niet te voorzien. Doel van dit onderzoek is om vuistregels te formuleren, criteria te identificeren en argumenten aan te reiken aan de hand waarvan materieelrechtelijk kan worden vastgesteld wat de rechtspersoon wist. Bewijsrechtelijke kwesties krijgen eveneens aandacht.