Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.3.6
I.3.3.6 Directe en algemene kosten
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494135:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 6 april 1995, zaak C-4/94, FED 1995/495 (BLP; m.aant. W.A.P. Nieuwenhuizen); HvJ 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118 (concl. A-G Saggio; Midland Bank; m.nt. M.E. van Hilten).
Het beginsel dat bij elke transactie inzake productie of distributie belasting is verschuldigd onder aftrek van de belasting waarmee de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks waren belast.
In dezelfde zin: J.T. Sanders, ‘Over aandelen en btw en btw over aandelen’, NTFR Beschouwingen 2010/4.
Zie ook A.J. van Doesum & H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/885, onderdeel 5.6.
Zie ook A.J. van Doesum, Ondanks een onlosmakelijke samenhang (oratie Maastricht), Deventer: Kluwer 2013, p. 23.
Als vaststaat dat een ondernemer kosten voor zijn economische activiteit heeft gemaakt, dan gebruikt hij de ingekochte goederen en diensten voor aanwijsbare belaste of vrijgestelde prestaties, dan wel meer in het algemeen in het kader van zijn economische activiteit. In het eerste geval worden de kosten voor de ingekochte goederen en diensten directe kosten genoemd en in het tweede geval algemene kosten. Het onderscheid tussen directe en algemene kosten is van belang als een ondernemer zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht. Voor algemene kosten bestaat in die omstandigheden namelijk gedeeltelijk recht op aftrek van voorbelasting, terwijl voor directe kosten altijd volledig wel of volledig geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat.
Directe kosten veronderstellen volgens het Hof van Justitie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen ingekochte goederen en diensten en bepaalde uitgaande prestaties in een later stadium. Dit komt al naar voren in het arrest in de zaak BLP, maar is helemaal duidelijk geworden in het arrest in de zaak Midland Bank (cursivering WJB):1
‘30. Uit dat beginsel2 en uit de in punt 19 van het reeds aangehaalde arrest BLP Group geformuleerde regel, dat voor het recht op aftrek een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de gebruikte goederen of diensten en de belaste handelingen vereist is, volgt, dat het recht op aftrek van de BTW die op deze goederen of diensten drukt, vooronderstelt dat de kosten die voor het verwerven van die goederen of diensten zijn gemaakt, een van de bestanddelen van de prijs van de belaste handelingen zijn. Die kosten moeten dus een onderdeel zijn van de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten. Om die redenmoeten die elementen van de kostprijs normalerwijze zijn ontstaan vóór de belastingplichtigede belaste handelingen verricht, waarop zij betrekking hebben.’
Uit deze rechtsoverweging blijkt dat – naar het oordeel van het Hof van Justitie – het uitgangspunt is dat alleen van directe kosten sprake kan zijn als goederen of diensten zijn ingekocht vóórdat de prestatie is verricht waarop zij betrekking hebben. Het woord ‘normalerwijze’ suggereert dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn. Ik kan mij voorstellen dat een uitzondering aan de orde is in de situatie waarin een ondernemer bij het verrichten van prestaties al kan anticiperen op het nakomen van kosten, bijvoorbeeld voor garantieverplichtingen die vooraf redelijkerwijs te verwachten zijn.3
Het is mij niet helemaal duidelijk waarom kosten in beginsel vóór het verrichten van een prestatie gemaakt moeten zijn om voor directe kosten te kunnen doorgaan. Als kosten nakomen die een duidelijk causaal verband vertonen met een bepaalde prestatie, lijkt directe toerekening toch best mogelijk. Dat leidt allicht tot een betere weerspiegeling van het werkelijke gebruik van de ingekochte prestaties.4 Te denken valt aan kosten van een deurwaarder die opkomen door het uitblijven van betaling voor een prestatie of kosten van een advocaat indien uit een prestatie een juridisch geschil voortvloeit. Een verklaring voor de benadering die het Hof van Justitie heeft gekozen, is wellicht dat in het vereiste van ‘gebruik voor belaste handelingen’ in artikel 168 Btw-richtlijn (artikel 15, lid 1, Wet OB 1968) een voorkeur voor finale verbanden ligt besloten.5