Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/229
229 Inning en verhaal tijdens faillissement
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 05-11-2025
- Datum
05-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD32570:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Voûte 1994, p. 6. Uit de wetsgeschiedenis blijkt op geen enkele wijze dat de wetgever aan voor pandrechten op vorderingen specifieke aspecten heeft gedacht; vgl. Kortmann en Faber 1995, p. 164-171.
Vgl. bijvoorbeeld: Reehuis 1987, nr. 434, De Liagre Böhl 1991, p.112-113, Voûte 1993, p. 103-107 en Voûte 1994, p. 1-7.
HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK.
Illustratief zijn vier uitspraken van lagere rechters: Rb. Leeuwarden 18 augustus 2004, JOR 2004/313 m.nt. A.J. Verdaas (ING/Verdonk q.q.), Rb. Almelo 3 augustus 2005, JOR 2006/21 m.nt. A. Steneker onder JOR 2006/22 (Rabobank/Haafkes q.q.), Hof Leeuwarden 26 oktober 2005, JOR 2006/22 m.nt. A. Steneker (ING/Verdonk q.q.) en Rb. Leeuwarden 4 oktober 2006, JOR 2007/305 (ING/Verdonk q.q.). Illustratief is ook een in het Tijdschrift voor Insolventierecht gevoerde discussie; zie Warringa en Winkel 2005, Kraamwinkel 2006, Verdonk 2006, Beekhoven van den Boezem en Goosmann 2007a, Verdonk 2007, Verdaas 2007 en Beekhoven van den Boezem en Goosmann 2007b. Zie voorts: Faber 1995b, p. 27-28, Van Galen 2001, p. 31-33, Molkenboer en Verdaas 2002, p. 210, Rongen 2002, p. 12-13, Polak/Wessels 2003 (III), par. 3474, Vermunt 2006, p. 180-181, Verstijlen 2006a, par. 7.4, Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 833-833a en Verdaas 2007 (Commentaar insolventierecht), 72, Fw art. 58, C.2.6.
HR 22 juni 2007, LJN BA2511.
Meer problematisch is de situatie als de pandgever failleert voordat de verpande vordering is geïnd. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat de wetgever bij de invoering van de huidige regeling van het (stil) pandrecht onvoldoende heeft onderkend dat de inning van en het verhaal op de opbrengst van verpande vorderingen tijdens het faillissement van de pandgever tot bijzondere problemen aanleiding kunnen geven. De in de Faillissementswet opgenomen algemene bepalingen waarin de gevolgen zijn geregeld van de faillietverklaring van een pand- of hypotheekgever voor de rechten van de pand- of hypotheekhouder, art. 57 en 58 Fw, houden onvoldoende rekening met de inning van (stil) verpande vorderingen en verhaal op het geïnde.1
Gevolg is dat over de rechten van enerzijds de pandhouder en anderzijds de curator aanvankelijk grote onduidelijkheid bestond. Op veel vragen was geen (eensluidend) antwoord te vinden in de wet, de wetsgeschiedenis, de literatuur of de rechtspraak.2 In zijn arrest Mulder q.q./CLBN beantwoordde de Hoge Raad enkele van deze vragen.3 Twee in dat arrest nog niet beantwoorde vragen, de vraag of de curator bevoegd is om door de gefailleerde stil verpande vorderingen actief te innen en de vraag of art. 58 lid 1 Fw van toepassing is op de inning van verpande vorderingen, bleef men zowel in de nadien verschenen literatuur als in de lagere jurisprudentie verschillend beantwoorden.4 In zijn arrest ING/Verdonk q.q.5 beantwoordde de Hoge Raad deze vragen, maar nog niet op alle vragen die kunnen worden gesteld over de inning van verpande vorderingen en verhaal op het geïnde, tijdens het faillissement van de pandgever, is het antwoord in de arresten van de Hoge Raad te vinden.