Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.4.1
10.4.1 De VOF als overtreder
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384636:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, 3, p. 77: Het begrip ‘gedraging’ moet ruim worden uitgelegd. Het omvat mede nalaten, zoals het niet doen van een wettelijk verplichte aangifte, en het laten bestaan van een verboden toestand. Een vennootschap kan niet zelf de fysieke handelingen verrichten, maar kan voor die handelingen wel maatschappelijk verantwoordelijk zijn als de handelingen zijn gepleegd door een persoon die handelde binnen het kader en onder verantwoordelijkheid van de vennootschap. Zie Kamerstukken II 2007/08, 31 124, 8, p. 19; Kamerstukken II 2003/04, 29 702, 3, p. 79; HR 23 februari 1993, NJ 1993/605 en HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9557. Bij toerekening van een gedraging van een vennoot aan de vennootschap is niet vereist dat alle vennoten op de hoogte zijn van de gedraging en daarmee instemmen, zie HR 22 september 1987, NJ 1988/381, r.o. 6.1. Maar wel is het denkbaar dat de VOF een onrechtmatige daadsactie instelt tegen de handelende vennoot. Vennoten mogen immers niet handelen in strijd met de verplichting om zich in te zetten voor de verwezenlijking van het doel van de VOF en met de goede trouw die zij jegens de andere vennoten in acht moeten nemen. Zie bijv. Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/46 en HR 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1258, r.o. 3.4, NJ 1991/21, m.nt. J.M.M. Maeijer (Akkoca).
De Hullu 2009, p. 481.
De Valk 2009, p. 391 e.v.
HR 1 juni 1993, NJ 1994/53.
HR 23 februari 1954, NJ 1954/378 (IJzerdraad).
Drok 2008, p. 23.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, 3, p. 79-80; Drok 2008, p. 18-19. Zie ook CBB 8 april 2003, AB 2003/247: een last onder dwangsom kan slechts worden opgelegd aan een pleger c.q. medepleger en niet aan een medeplichtige.
Een overtreding in de zin van de Awb is een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (art. 5:1 lid 1 Awb). Degene die de overtreding pleegt of medepleegt, wordt als overtreder aangemerkt (art. 5:1 lid 2 BW). Overtredingen kunnen volgens art. 5:1 lid 3 Awb begaan worden door natuurlijke personen en rechtspersonen. Art. 51 lid 2 en 3 Sr zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. De leden 2 en 3 van art. 51 Sr luiden als volgt:
Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
tegen die rechtspersoon, dan wel
tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel
tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.
Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.’
Hieruit volgt dat de VOF die een gedraging1 verricht die in strijd is met een jegens haar gerichte norm, bijvoorbeeld een vergunningvoorschrift, een over treding begaat en dus als overtreder wordt aangemerkt. Tegen de VOF kan in dat geval strafvervolging worden ingesteld.
Ook tegen de vennoot die tot het feit opdracht heeft gegeven of die feitelijk leiding heeft gegeven aan het feit kan strafvervolging worden ingesteld. Een vennoot kan kwalificeren als feitelijk leidinggevende indien hij een zekere macht, invloed en verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het strafbare feit dat door de VOF is begaan.2 De vennoot moet opzet hebben op het leiding geven zelf en op het strafbare feit dat door de VOF wordt begaan. Voor de vraag wanneer iemand kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende als bedoeld in art. 51 lid 2 Sr verwijs ik naar het proefschrift van De Valk en de daarin opgenomen verwijzingen.3 Wel merk ik hier op dat een besturend vennoot al snel aangemerkt wordt als feitelijk leidinggevende, hetgeen blijkt uit een arrest van de Hoge Raad uit 1993:4
‘Het hof heeft voorts kennelijk en – gelet op de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende actieve betrokkenheid van de verdachte bij de bedrijfsuitoefening, met name ook bij de indienstneming van vreemdelingen voor het verrichten van arbeid in het door de vennootschap geëxploiteerde confectie-atelier – niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte als beherend vennoot bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te nemen ter voorkoming van de bewezen verklaarde verboden gedragingen van de vennootschap, dat hij dit heeft nagelaten en bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen, en dat hij daardoor opzettelijk deze gedragingen heeft bevorderd.’
Verder kan een vennoot als dader van een overtreding worden aangemerkt op grond van de maatschappelijke functie die hij bekleedt zonder dat hij zelf handelt; hij is dan ‘functioneel dader’.5 Hij moet feitelijke zeggenschap hebben over het al dan niet plaatsvinden van de verboden gedraging (beschikkingscriterium) en hij moet de verboden gedraging hebben aanvaard of, blijkens de loop van zaken, plegen te aanvaarden door bijvoorbeeld niet in te grijpen (aanvaardingscriterium). Het verschil met feitelijk leidinggeven is dat bij feitelijk leidinggeven wel en bij functioneel daderschap niet voldaan moet zijn aan het machtsvereiste (bijvoorbeeld: de feitelijk leidinggevende was bevoegd en redelijkerwijs gehouden om de overtreding te voorkomen).6
Als overtreder wordt tot slot aangemerkt degene die de overtreding medepleegt (art. 5:1 Awb); ook dit kan een vennoot zijn. De medepleger hoeft, anders dan de pleger, geen normadressaat te zijn; de medepleger is de fysieke dader die bewust met de normadressaat samenwerkt en de normschending gezamenlijk met hem uitvoert (er moet sprake zijn van een min of meer gelijkwaardige samenwerking). Voor medeplichtigheid (een medeplichtige heeft niet een gelijkwaardige, maar een meer ondersteunende rol) is geen plaats in het bestuursrecht.7