Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.3.3.2
I.2.3.3.2 Verbruiksbelasting
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499032:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J. Reugebrink, Omzetbelasting en EEG, Deventer: N.V. Uitgeversmaatschappij Æ.E. Kluwer 1963, p. 28 (bestedingenbelasting); A.H.R.M. Denie, De overheid in de omzetbelasting (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1987, p. 41 en 58 (bestedingenbelasting); B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss. Amsterdam UvA), Deventer: FED 1992, p. 41-42 (elementen van een productiebelasting); R.F.W. van Brederode, ‘De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW’, WFR 1998/1577 (bestedingenbelasting); Henkow 2008, p. 67 en 84-85 (bestedingenbelasting); K.M. Braun, in: Cursus BelastingrechtOB.0.0.5.C (online, laatst bijgewerkt op 20 maart 2016) (bestedingenbelasting). Zie over het aanmerken van de btw als verkeersbelasting: HvJ 8 juli 1986, zaak 73/85, Jur. 1986, p. 2219, dictum (Kerutt). Diverse auteurs verwijzen naar dit arrest.
Afscheidsrede van J. Reugebrink van 20 oktober 1995, getiteld ‘De zomer was groots’, opgenomen op de CD-ROM bij L.J.A. Pieterse, Fiscale oraties en afscheidsredes, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011 en besproken door M.E. Van Hilten in WFR 1995/1792.
Zie ook M.M.W.D. Merkx, De woon- en vestigingsplaats in de BTW (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2011, p. 27-29.
Afscheidsrede van J. Reugebrink van 20 oktober 1995, getiteld ‘De zomer was groots’, opgenomen op de CD-ROM bij L.J.A. Pieterse, Fiscale oraties en afscheidsredes, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011 en besproken door M.E. Van Hilten in WFR 1995/1792.
HvJ 29 februari 1996, zaak C-215/94, BNB 1997/32, r.o. 19 (concl. A-G Jacobs; Mohr; m.nt. M.E. van Hilten).
Een verbruiksbelasting die tevens een omzetbelasting is, richt zich alleen op het verbruik dat ondernemingen (‘de productie- en distributieketen’) mogelijk maken. Hieruit vloeit voort dat verbruik geen betrekking kan hebben op goederen en diensten die in consumptiehuishoudingen worden voortgebracht. Deze beperking van het begrip ‘verbruik’ is naar mijn mening zeer wezenlijk voor de strekking van de omzetbelasting, waarover verderop meer (zie par. 2.4).
Ofschoon artikel 1, lid 2, Btw-richtlijn aangeeft dat een verbruiksbelasting het uitgangspunt is, zijn in de literatuur ook de typeringen bestedingenbelasting, verkeersbelasting en productiebelasting te vinden.1 Deze typeringen sluiten elkaar en een verbruiksbelasting, afhankelijk van de gekozen betekenis, veelal niet a priori uit. Alleen bestedingenbelasting en verbruiksbelasting lijken onverenigbaar. Dat komt doordat de typering bestedingenbelasting in de literatuur veelal ten tonele verschijnt als argument voor de stelling dat de Btw-richtlijn ten onrechte van een verbruiksbelasting spreekt.
De voornaamste pleitbezorger van de omzetbelasting als bestedingenbelasting is Reugebrink.2 Hij betoogt dat zich na de besteding omstandigheden kunnen voordoen waardoor geen verbruik optreedt. Als voorbeeld noemt hij een fles cognac (of melk) die met inhoud vlak na aankoop onbedoeld op straat kapot valt. In die situatie doet zich volgens Reugebrink geen verbruik voor. Uit de omstandigheid dat desondanks geen teruggaaf van belasting plaatsvindt, leidt hij af dat voor de heffing van omzetbelasting vooral de besteding van belang is. Tegen deze opvatting van Reugebrink zijn diverse punten van kritiek in te brengen. Ik noem er twee.
Ten eerste lijkt Reugebrink in zijn betoog uit te gaan van de werking van de omzetbelasting zoals die voortvloeit uit de wet. Hij stelt namelijk niet dat een bestedingenbelasting is beoogd, maar baseert zich op de uitwerking van de wet in een concreet voorbeeld. Denkbaar is echter dat de uitwerking van de wet in een concreet geval de resultante is van een concessie aan de uitvoerbaarheid.3 Ten tweede geeft Reugebrink het begrip verbruik in zijn voorbeeld een bepaalde betekenis zonder die tegen andere mogelijke betekenissen af te wegen. Hij definieert verbruik als het bezigen van een goed of een dienst overeenkomstig het doel waarvoor het is gekocht.4 Dat is daadwerkelijke behoeftebevrediging. Verbruik in die betekenis doet zich inderdaad niet voor als een fles cognac onbedoeld op straat kapot valt. Een mogelijke gevolgtrekking is dan dat de omzetbelasting geen verbruiksbelasting is. Naar mijn mening dient echter eerst te worden gezocht naar een alternatieve betekenis van verbruik die beter aansluit bij het systeem van de belasting. Het zou immers vreemd zijn als de (Unie)wetgever opschrijft dat hij een verbruiksbelasting beoogt, maar vervolgens een bestedingenbelasting uitwerkt. De bedoelde, beter bij het systeem van de omzetbelasting aansluitende betekenis van verbruik, wordt in paragraaf 2.4 gezocht en gevonden. Daarom bestaat in mijn visie geen reden de typering ‘verbruiksbelasting’ uit de Btw-richtlijn ter discussie te stellen. Overigens is ook volgens het Hof van Justitie ‘de BTW een algemene verbruiksbelasting op goederen en diensten’.5