Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.4.3:I.3.4.3 Kritiek
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.4.3
I.3.4.3 Kritiek
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501381:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het verlengstukcriterium, zoals dat is ontstaan in de jurisprudentie, is kritiek mogelijk. In mijn visie is het vooral niet optimaal dat het verlengstukcriterium wordt toegepast bij de uitleg van zowel artikel 2 en 9 Btw-richtlijn als artikel 174, lid 2, Btw-richtlijn. De aard van deze bepalingen is te verschillend om de uitleg daarvan te laten afhangen van hetzelfde criterium. Artikel 174, lid 2, Btw-richtlijn komt immers pas aan bod als vaststaat dat als ondernemer prestaties onder bezwarende titel zijn verricht. Zo niet, dan blijven opbrengsten al op grond van artikel 174, lid 1, Btw-richtlijn buiten beschouwing bij het bepalen van het pro rata. Hierin ligt besloten dat bij minder dan een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk al sprake zou moeten kunnen zijn van handelen als ondernemer. Anders zou artikel 174, lid 2, Btw-richtlijn zinledig zijn. Het is in mijn ogen een gemis dat het Hof van Justitie hieromtrent (vooralsnog) geen duidelijkheid heeft geschapen. In de volgende paragraaf wordt daarom het begrip ‘economische activiteit’ in een model geplaatst dat aangeeft hoe het verlengstukcriterium mijns inziens van belang is voor de uitleg van de Btw-richtlijn en de Wet OB 1968.