Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/248
248 Geen voorrang, maar verrekening toch gerechtvaardigd?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD32563:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 3.3.4 hiervóór en par. 11.5 hierna.
Zie HR 8 juli 1987, NJ 1988, 104 m.nt. G (Loeffen q.q./Mees & Hope I) en HR 22 maart 1991, NJ 1992, 214 m.nt. PvS (Loeffen q.q./Mees & Hope II).
Zie HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 449 m.nt. JBMV (AMRO/Curatoren THB).
Zie HR 30 januari 1953, NJ 1953, 578 m.nt. PhANH (Doyer en Kalff/Bouman q.q.) en HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 449 m.nt. JBMV (AMRO/Curatoren THB).
Dit volgt uit het arrest Loeffen q.q. Mees & Hope II. Vgl. Voûte 1993, p. 106-107, Faber 1994, p. 188 en 196, Faber 1995a, p. 28-29 en Kortmann 2002b, p. 394-397. Anders Gispen 1993, p. 221, die meent dat wel benadeling plaatsvindt omdat het pandrecht van de bank is tenietgegaan voordat de bank verrekent.
Een stil verpande vordering die vóór faillietverklaring van de pandgever door hem wordt geïnd, gaat teniet zonder dat de pandhouder voorrang op de opbrengst behoudt.1 Wordt een stil verpande vordering giraal betaald op de bankrekening die de pandgever aanhoudt bij de pandhouder, dan ontstaat daardoor een schuld van de bank aan de pandgever. Men kan zich afvragen of de bevoegdheid van de bank tot verrekening van deze vordering kan afstuiten op het bepaalde in art. 47 en 54 lid 1 Fw. Met een beroep op art. 47 Fw kan de curator onder omstandigheden een verrekening door de bank in het zicht van het faillissement aantasten.2 In art. 54 lid 1 Fw is bepaald dat een schuldeiser van de gefailleerde niet bevoegd is tot verrekening van zijn vordering op de gefailleerde met een vóór de faillietverklaring door de schuldeiser van een derde overgenomen schuld aan de gefailleerde als de schuldeiser bij de overname niet te goeder trouw heeft gehandeld. Het crediteren van een bankrekening is door de Hoge Raad met zo een overname van een schuld gelijkgesteld.3 De schuldeiser heeft niet te goeder trouw gehandeld als hij bij de overneming wist dat de schuldenaar in een zodanige toestand verkeerde dat zijn faillissement te verwachten was.4
Anders dan tijdens het faillissement van de pandgever kan verrekening door de bank-pandhouder in het zicht van de faillietverklaring niet worden gerechtvaardigd door de voorrang van de bank. Met Faber, Kortmann en Voûte meen ik dat verrekening door de bank in het zich van het faillissement desondanks gerechtvaardigd is, ook als deze geschiedt in één van de in art. 47 en 54 lid 1 Fw genoemde situaties. De bank had mededeling van het pandrecht kunnen doen, waarna zij de vordering had kunnen innen en zich uit de opbrengst had kunnen voldoen. De ratio van art. 47 en 54 lid 1 Fw is het voorkomen casu quo ongedaan maken van benadeling. Doordat de bank niet via de weg van inning, mededeling en het zichzelf uit het geïnde voldoen verhaal neemt op de verpande vordering, maar de mededeling achterwege laat en tot verrekening overgaat, worden geen schuldeisers benadeeld. Om die reden kan verrekening door de bank-pandhouder van hetgeen zij door betaling op de bij haar door de pandgever aangehouden bankrekening verschuldigd wordt aan de pandgever met haar vordering op de pandgever, niet door de curator met een beroep op art. 47 of 54 lid 1 Fw worden aangetast.5