Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:309 BW:Verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:309 BW
Verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
Actueel t/m
04-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:309 BW
Verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling
Art. 3:309 BW regelt de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling. Ook hier geldt een verjaringstermijn van vijf jaren. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling.1
Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer. Een geslaagd beroep op verjaring doet de rechtsvordering tenietgaan. Het recht zelf gaat niet teniet; er resteert dan nog een natuurlijke verbintenis. De schuldenaar die zich ter bevrijding van de rechtsvordering beroept op verjaring zal voldoende duidelijk moeten maken op welke verjaring hij doelt,2 en, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Aanvang verjaringstermijn bij verjaringstermijn van vijf jaren
De verjaringstermijn van vijf jaren begint te lopen als aan twee vereisten is voldaan: bekendheid met het bestaan van de vordering en bekendheid met de persoon van de ontvanger. Beide vereisten zullen door de schuldenaar die zich op deze verjaring beroept, moeten worden gesteld en waar nodig bewezen.3 Bij het begrip ‘bekendheid’ gaat het om subjectieve bekendheid aan de zijde van de schuldeiser.4 Evenals voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW, moet voor de korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW worden aangenomen dat deze niet alleen in het teken staat van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid en dat ook voor deze termijn geldt dat zij pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen.5 De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Dit geldt ook indien voordien reeds aan de benadeelde bekend is dat de vordering uit onverschuldigde betaling zal ontstaan en wie de ontvanger van de onverschuldigde betaling zal zijn.6
De schuldenaar zal dus moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de schuldeiser, moeten bewijzen wanneer de vordering is ontstaan en wanneer de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met zowel het bestaan van de vordering als de persoon van degene die de onverschuldigde betaling heeft ontvangen.7 Als de schuldeiser daartegenover feiten aanvoert die tot een andere conclusie aanleiding kunnen geven, kunnen die eventueel in het kader van tegenbewijs aan de orde komen.
De rechter zal bij een betwisting door de schuldeiser dat hij bekend was met het bestaan van de vordering en/of met de persoon van de ontvanger, die bekendheid kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in dat geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen: behoudens door de schuldeiser te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger.8
Aanvang verjaringstermijn bij verjaringstermijn van twintig jaren
Omdat het lang kan duren voordat de termijn van vijf jaren begint te lopen, bepaalt het slot van het artikel dat de vordering in ieder geval verjaart na twintig jaren vanaf het ontstaan van de vordering. Voor dat geval behoeft de schuldenaar die zich op verjaring beroept dus alleen te stellen, en eventueel te bewijzen, wanneer de (onverschuldigde) betaling is gedaan.
Een eensluidend standpunt van partijen over het aanvangsmoment van de verjaring heeft de rechter te respecteren, vgl. HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:234, RvdW 2016/280.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:309 BW
Verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
04-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:309 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 309
Verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling
Art. 3:309 BW regelt de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling. Ook hier geldt een verjaringstermijn van vijf jaren. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling.1
Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer. Een geslaagd beroep op verjaring doet de rechtsvordering tenietgaan. Het recht zelf gaat niet teniet; er resteert dan nog een natuurlijke verbintenis. De schuldenaar die zich ter bevrijding van de rechtsvordering beroept op verjaring zal voldoende duidelijk moeten maken op welke verjaring hij doelt,2 en, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Aanvang verjaringstermijn bij verjaringstermijn van vijf jaren
De verjaringstermijn van vijf jaren begint te lopen als aan twee vereisten is voldaan: bekendheid met het bestaan van de vordering en bekendheid met de persoon van de ontvanger. Beide vereisten zullen door de schuldenaar die zich op deze verjaring beroept, moeten worden gesteld en waar nodig bewezen.3 Bij het begrip ‘bekendheid’ gaat het om subjectieve bekendheid aan de zijde van de schuldeiser.4 Evenals voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW, moet voor de korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW worden aangenomen dat deze niet alleen in het teken staat van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid en dat ook voor deze termijn geldt dat zij pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen.5 De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Dit geldt ook indien voordien reeds aan de benadeelde bekend is dat de vordering uit onverschuldigde betaling zal ontstaan en wie de ontvanger van de onverschuldigde betaling zal zijn.6
De schuldenaar zal dus moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de schuldeiser, moeten bewijzen wanneer de vordering is ontstaan en wanneer de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met zowel het bestaan van de vordering als de persoon van degene die de onverschuldigde betaling heeft ontvangen.7 Als de schuldeiser daartegenover feiten aanvoert die tot een andere conclusie aanleiding kunnen geven, kunnen die eventueel in het kader van tegenbewijs aan de orde komen.
De rechter zal bij een betwisting door de schuldeiser dat hij bekend was met het bestaan van de vordering en/of met de persoon van de ontvanger, die bekendheid kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in dat geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen: behoudens door de schuldeiser te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger.8
Aanvang verjaringstermijn bij verjaringstermijn van twintig jaren
Omdat het lang kan duren voordat de termijn van vijf jaren begint te lopen, bepaalt het slot van het artikel dat de vordering in ieder geval verjaart na twintig jaren vanaf het ontstaan van de vordering. Voor dat geval behoeft de schuldenaar die zich op verjaring beroept dus alleen te stellen, en eventueel te bewijzen, wanneer de (onverschuldigde) betaling is gedaan.
Voetnoten
1.
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761, rov. 3.2.3; vgl. ook HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052, NJ 2016/358 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.3.
2.
HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418 m.nt. Stein (Buyck/Van den Ameele).
3.
Een eensluidend standpunt van partijen over het aanvangsmoment van de verjaring heeft de rechter te respecteren, vgl. HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:234, RvdW 2016/280.
4.
HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3696, NJ 2004/268, rov. 3.8 en HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0309, NJ 2006/116 m.nt. Du Perron, rov. 3.3.2.
5.
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761, rov. 3.2.2; vgl ook HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052, NJ 2016/358 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.4.
6.
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761, rov. 3.2.3.
7.
Zie in gelijke zin Koopmann, Bevrijdende Verjaring(Mon. BW nr. B14), Kluwer: Deventer 2010, p. 41.
8.
Vgl. HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1208, NJ 2002/383 m.nt. Snijders, rov. 3.4.2.