Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.3.4
2.3.4 Kwijtschelding en omzetting
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380421:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad heeft bepaald dat ook de omzetting van een voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke verbintenis niet bij een eenzijdige rechtshandeling kan geschieden, HR 12 november 2004, NJ 2005/500,JOR 2005/22 (Aerts q.q./Koops); HR 10 maart 1967,NJ 1967/194.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 588 (TM). Onder meer Van Brakel pleitte voor eenzijdige kwijtschelding, zie Van Brakel 1948, par. 175.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 590 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 588 (TM).
Asser/Rutten 4-I 1978, p. 46; Asser/Meijers & Van der Ploeg 6 1988, nr. 83, noot 42; G.J. Scholten, noot onder HR 27 februari 1980, NJ 1980/352; Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 88 (VV II).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 89-90 (MvA II).
Zo interpreteert althans de Commissie voor Justitie de Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 88 (VV II).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 90 (MvA II).
Art. 3:322 lid 2 BW; HR 14 mei 2004,NJ 2005/236; HR 18 oktober 2002, NJ 2002/ 565.
23. In de parlementaire geschiedenis zijn enkele passages gewijd aan eenzijdige rechtshandelingen in het kader van kwijtschelding en omzetting van natuurlijke in afdwingbare verbintenissen. Beide figuren zijn meerzijdige rechtshandelingen.1 Hieraan lag ten eerste de hiervoor beschreven huiverigheid voor de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling ten grondslag. De mogelijkheid van eenzijdige kwijtschelding is verworpen om te voorkomen dat iemand geschenken wordt opgedrongen die hij niet wenst te aanvaarden.2 Omdat kwijtschelding zelden ongewenst is, gaat het te ver om te eisen dat steeds wilsovereenstemming wordt aangetoond. Vandaar dat in art. 6:160 lid 2 BW de lage drempel voor aanvaarding is opgenomen die ook geldt bij schenkingsovereenkomsten, het derdenbeding en omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare. De gelijke benadering van die gevallen wordt als tweede argument genoemd voor het vereisen van een overeenkomst voor kwijtschelding.3 Een aanbod tot kwijtschelding geldt als aanvaard, indien de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen. Deze regeling bevorderde volgens de parlementaire geschiedenis de rechtszekerheid, omdat geschillen worden vermeden over de vraag of de schuldenaar het kwijtscheldingsaanbod heeft aanvaard.4 Daarnaast werkt de lage aanvaardingsdrempel ten gunste van de schuldenaar. De schuldeiser die na een kwijtscheldingsaanbod van gedachten is veranderd, zou aan de schuldenaar kunnen tegenwerpen dat hij moet aantonen dat hij het aanbod aanvaard heeft, met een mogelijk bewijsprobleem voor de schuldenaar tot gevolg. Het vereiste van een overeenkomst, bedoeld om de schuldenaar te beschermen tegen opgedrongen geschenken, zou dan ten nadele van de schuldenaar werken.
Ten tijde van het Oud BW bestond discussie over de mogelijkheid van eenzijdige omzetting.5 In de parlementaire geschiedenis van art. 6:5 BW wordt als argument gegeven dat tweezijdige omzetting beter past in het stelsel van het BW, waarin ook schenking, het derdenbeding en kwijtschelding overeenkomsten zijn.6 Ten tweede speelde mee dat omzetting werd geacht vaak te worden gebruikt om de afdwingbare verbintenis een concrete inhoud te geven. Het zou onwenselijk zijn dat die concretisering zou worden bepaald door slechts één van de partijen.7 Het zou ten derde niet wenselijk zijn als bij uiterste wilsbeschikking een natuurlijke verbintenis in een afdwingbare zou kunnen worden omgezet, omdat dan een nalatenschapsschuld zou ontstaan waarop de bepalingen voor vorderingen uit legaat niet van toepassing zouden zijn. Ik zie naar huidig recht geen waarde in dat laatste argument. In de parlementaire geschiedenis wordt aangegeven dat het vanzelf spreekt dat de erflater de prestatie die hij uit hoofde van een natuurlijke verbintenis is verschuldigd, aan de schuldeiser kan legateren, zodat een afdwingbaar vorderingsrecht uit legaat ontstaat.8 Door gebruik te maken van een legaat kan een natuurlijke verbintenis dus eenzijdig worden omgezet. Een tweede uitzondering op het vereiste van een overeenkomst voor omzetting is dat een vordering die een natuurlijke verbintenis is geworden doordat de rechtsvordering is verjaard, opnieuw afdwingbaar kan worden doordat degene die de verjaring kan inroepen daarvan eenzijdig afstand doet.9