De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.7.3:7.3.7.3 Dwaling
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.7.3
7.3.7.3 Dwaling
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375598:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
318. Het erfrecht kent een eigen dwalingsregeling. Vernietiging van een uiterste wilsbeschikking op grond van dwaling is slechts in beperkte gevallen mogelijk, zo blijkt uit art. 4:43 lid 2 BW. Vereist is 1. dat de uiterste wilsbeschikking tot stand is gekomen onder invloed van een onjuiste beweegreden; 2. dat de erflater de onjuiste beweegreden in de uiterste wilsbeschikking heeft aangeduid; en 3. dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt indien hij van de onjuistheid van de veronderstelling had geweten.
Het begrip ‘onjuiste beweegreden’ wordt in de parlementaire geschiedenis geduid. De erflater moet worden bewogen door een omstandigheid die hij ten onrechte als bestaand aanmerkt of die ontijdig heeft opgehouden te bestaan, of door een verwachting die niet in vervulling is gegaan. De dwalingsregeling is dus van toepassing als de erflater een verkeerde voorstelling van zaken had op het tijdstip waarop hij de uiterste wilsbeschikking maakt (‘een omstandigheid die hij ten onrechte als bestaand aanmerkt’), maar ook als hij bij het maken van de uiterste wilsbeschikking is uitgegaan van een stand van zaken die ten tijde van het overlijden niet meer geldt.