Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.4.2
II.4.4.2 Interpretatie artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494241:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Hilten 1992, p. 129.
Vgl. HvJ 15 juni 1989, zaak 348/87, FED 1989/559, r.o. 11 (SUFA; m.aant. D.B. Bijl); HvJ 5 juni 1997, zaak C-2/95, V-N 1997, p. 2606, punt 15, r.o. 21 (SDC); HvJ 29 oktober 2015, zaak C-174/14, V-N 2015/57.13, r.o. 54 (Saudaçor). Zie ook Henkow 2008, p. 90-91.
Zie ook A.H. Bomer & H.W.M. van Kesteren, ‘Niet voor redelijke twijfel vatbaar: verkoop deelneming is een prestatie’, WFR 2003/788, onderdeel 6. Zij omschrijven een aandeel overigens zelf als ‘een vermogenstitel die – naast stemrecht – recht geeft op een aandeel in het kapitaal en de winstrechten van een belegging of een onderneming’. Wat nog het meest in de buurt komt van een definitie uit een totstandkomingsgeschiedenis, maar verder geen juridische status heeft omdat het nooit tot wetgeving heeft geleid, is een uitleg van de Commissie in een ‘background paper’ dat is geschreven om de Raad inzicht te verschaffen in zienswijzen van de Commissie op voorstellen tot aanpassing van de Btw-richtlijn en invoering van een verordening ter modernisering van de vrijstellingen voor financiële diensten en verzekeringsdiensten. Zie TAXUD/2414/08.
HvJ 12 juni 2014, zaak C-461/12, BNB 2014/210 (concl. A-G Kokott; Granton Advertising; m.nt. C.J. Hummel).
R.o. 27. Verder betreft de vrijstelling waardepapieren die een schuld vertegenwoordigen en andere waardepapieren die naar hun aard vergelijkbaar zijn met de specifiek genoemde waardepapieren.
HvJ 6 april 1995, zaak C-4/94, V-N 1995, p. 3030 (BLP); HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251 (concl. A-G Mengozzi; AB SKF; m.nt. J.J.P. Swinkels); HR 22 april 2011, BNB 2011/230 (concl. A-G Van Hilten; m.nt. H.W.M. van Kesteren); HvJ 5 juli 2012, zaak C-259/11, BNB 2012/311 (DTZ Zadelhoff; m.nt. H.W.M. van Kesteren); HvJ 30 mei 2013, zaak C-651/11, BNB 2014/113 (X BV; m.nt. D.B. Bijl).
HvJ 13 december 2001, zaak C-235/00, V-N 2002/5.26 (CSC Financial Services); HvJ 10 maart 2011, zaak C-540/09, V-N 2011/16.19 (SEB).
Van Hilten 1992, p. 135.
Zie Henkow 2008, p. 133.
Zie ook Van Hilten 1992, p. 135, 142; Henkow 2008, p. 133.
TC 28 november 1977, BNB 1978/89 (Loonslagers); HR 5 januari 1983, BNB 1983/76 (concl. A-G Van Soest; m.nt. Ploeger); HR 9 september 1992, BNB 1992/366 (m.nt. Den Boer); HvJ 7 september 1999, zaak C-216/97, BNB 1999/395 (concl. A-G Cosmas; Gregg & Gregg; m.nt. Van Hilten); HvJ 27 januari 2000, zaak C-23/98, BNB 2000/297 (concl. A-G Cosmas; Heerma); HR 7 november 2003, BNB 2004/66, r.o. 4.1.3. (concl. A-G Overgaauw;m.nt. Van Hilten). Zie in de literatuur: Samenwerkingsverbanden in de omzetbelasting (Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, No. 214), Deventer: Kluwer 2000, p. 21 en 24; Swinkels 2001, p. 117-118; Van Doesum 2009, p. 135-139; Van Zadelhoff 2016, p. 33-34.
HvJ 7 september 1999, zaak C-216/97, BNB 1999/395 (concl. A-G Cosmas; Gregg & Gregg; m.nt. Van Hilten); HvJ 3 april 2003; zaak C-144/00, BNB 2003/196 (concl. A-G Geelhoed; Hoffmann; m.nt. Van Hilten).
Zie ook Van Hilten 1992, p. 135; Henkow 2008, p. 133-136.
Het begrip ‘aandeel’, alsmede het begrip ‘deelneming’, komt voor in artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn. Deze bepaling voorziet in een vrijstelling voor handelingen inzake ‘aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren’. Door de verplichting tot richtlijnconforme uitleg (zie par. 1.6.3) zijn de begrippen aandeel en deelneming ook van belang voor de uitleg van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968. Hoewel de Wet OB 1968 verwijst naar handelingen inzake effecten, is het verschil in bewoordingen niet dusdanig dat een richtlijnconforme uitleg niet mogelijk is.1
Uit de jurisprudentie valt op te maken dat ‘aandeel’ en ‘deelneming’ autonome begrippen van Unierecht moeten zijn, omdat niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten.2 De precieze invulling van die begrippen is minder duidelijk. De Btw-richtlijn voorziet namelijk niet in een definitie, en de totstandkomingsgeschiedenis van die richtlijn en de jurisprudentie daarover evenmin.3 Een belangrijk aanknopingspunt vormt thans het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Granton Advertising.4 Daarin heeft het Hof beslist dat de opsomming van aandelen etc. verwijst naar ‘waardepapieren die een eigendomsrecht op een rechtspersoon verlenen en (…) waardepapieren die een schuld vertegenwoordigen’, alsmede vergelijkbare waardepapieren.5
De term ‘waardepapieren’, in het Engels vertaald als ‘securities’, doet de vraag rijzen of aandelen en deelnemingen een fysieke verschijningsvorm moeten hebben of eventueel ook effecten (securities) in de zin van het toezichtrecht moeten zijn. Naar mijn mening zijn dergelijke kenmerken geen vereiste. Zo heeft het Hof van Justitie in de zaken BLP, AB SKF, DTZ Zadelhoff en XBV, in het geheel niet stilgestaan bij de al dan niet fysieke verschijningsvorm van de aandelen.6 Evenmin is de vraag behandeld of het effecten waren, terwijl al deze zaken handelden over overdrachten van aandelen en de toepassing van de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn in dat verband. Wat betreft de fysieke verschijningsvorm gaat hetzelfde op voor de arresten in de zaken CSC Financial Services (call-centrediensten bij de verkoop van units in unit trusts) en SEB (underwriting bij een aandelenemissie).7 Hoewel het niet alles zegt, wijst de omstandigheid dat in deze zaken de fysieke verschijningsvorm of het karakter van effect niet naar voren is gekomen erop dat dit niet van belang is. In de literatuur heeft Van Hilten verder betoogd dat de eis van een fysieke vorm niet mag worden gesteld, omdat de vrijstellingsbepaling verwijst naar deelnemingen en niet naar deelnemings-bewijzen.8 Henkow heeft verder een beperking tot effecten in de zin van het effectenrecht onwaarschijnlijk geacht.9
In dit licht bestaat meer dan voldoende aanleiding om aan te nemen dat de vrijstelling betrekking heeft op alle typen deelnemingen, ongeacht de verschijningsvorm. Ook deelnemingen in entiteiten zonder privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid kunnen binnen de reikwijdte vallen.10 Hierbij moet worden gedacht aan samenwerkingsverbanden die vanwege feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid ‘een ieder’ zijn in de zin van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn (artikel 7, lid 1, Wet OB 1968). 11 Uit de omstandigheid dat deze samenwerkingsverbanden als ondernemer drager kunnen zijn van uit de Wet OB 1968 voortvloeiende rechten en plichten, volgt naar mijn mening dat zij voor de omzetbelasting rechtssubjecten zijn. De vrijstelling van artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn zou daarom betrekking moeten hebben op deelnemingen in een dergelijk samenwerkingsverband. Daarbij dient de zo-even geciteerde passage uit het arrest in de zaak Granton Advertising naar mijn mening niet te worden opgevat in de zin dat de vrijstelling is beperkt tot deelnemingen in rechtspersonen van het privaatrecht. Dat zou strijdig zijn met de rechtsvormneutraliteit die het Hof van Justitie voor de omzetbelasting voorstaat.12 Verder ligt voor de hand dat de vrijstelling ook betrekking heeft op certificaten en andere afgeleiden van aandelen etc., zoals opties.13