De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.5:7.5 Resumé
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.5
7.5 Resumé
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383139:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen e.a. 2016.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van hetgeen in dit hoofdstuk is besproken, pleit ik voor een eigen ‘maatpak’ voor beroepsbeoefenaren. Dit maatpak is naar mijn mening relatief eenvoudig te bewerkstelligen door middel van wat grondig verstelwerk aan het huidige pak (de maatschap). Hoewel de snit is verouderd, is de stof nog mooi; de aanschaf van een geheel nieuw pak is daarom wat mij betreft overbodig. Uit dit onderzoek is gebleken dat er bij beroepsbeoefenaren behoefte bestaat aan een ‘eigen jas’ voor hun samenwerkingsverband en dat een goed zittend exemplaar naar huidig recht niet beschikbaar is. Naar mijn mening rechtvaardigt de bijzondere positie van beroepsbeoefenaren (binnen de samenleving) het beschikbaar stellen van een dergelijk maatpak. Het is van belang dat beroepsbeoefenaren hun beroep in alle redelijkheid en onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. Bovendien bestaat voor een aantal beroepsgroepen (notarissen, accountants en medisch specialisten) in de meeste gevallen, op grond van een ministerieplicht of eed, geen (of slechts een zeer beperkte) mogelijkheid om het verlenen van hun diensten te weigeren, waardoor zij onder andere een (nog) groter risico op aansprakelijkheid lopen. Het zou, mede met het oog op de jurisdictionele competitie en het bieden van een aantrekkelijk ondernemingsklimaat, derhalve goed zijn als de wetgever de uitkomsten van dit onderzoek bij een eventuele (en zeer gewenste) invoering van nieuw personenvennootschapsrecht meeweegt en de behoeften van deze specifieke groep gebruikers van de personenvennootschap in overweging neemt. De wetgever zou hierbij dankbaar gebruik kunnen maken van het ontwerpwetsvoorstel personenvennootschap van Van Olffen e.a.1 De wetgever zou er bovendien verstandig aan doen om, in samenhang met het personenvennootschapsrecht, ook de fiscale wetgeving te optimaliseren en een (reeds langdurig bepleit en gewenst) rechtsvorm-neutraal belastingregime in te voeren. Ten aanzien van een oplossing voor de huidige beroepsaansprakelijkheidsproblematiek is aanvullend onderzoek wenselijk. Ik hoop met mijn suggesties hiertoe alvast een schot voor de boeg te hebben gegeven. Tot die tijd zullen beroepsbeoefenaren het moeten doen met een sterk verouderd en slecht zittend ‘maatpak’ dat meer wegheeft van een lappendeken.